Actuele ontwikkelingen

Werkkostenregeling definitief

Aan de sinds 2011 van kracht zijnde overgangsperiode, is op 1 januari 2015 definitief een einde gekomen. De
Werkkostenregeling (WKR) houdt, kort gezegd, in dat werkgevers maximaal 1,2 procent van de fiscale loonsom (het totaalbedrag dat zij besteden aan hun personeel) onbelast mogen vergoeden of verstrekken aan hun medewerkers.
De Belastingdienst heeft een aantal vergoedingen vastgesteld die buiten die 1,2 procent, het zogeheten algemene forfait, vallen: de gerichte vrijstellingen. Daaronder vallen bijvoorbeeld kilometervergoedingen (tot 19 cent), producten eigen bedrijf en verblijf-, verhuis- en studiekosten. Daarnaast zijn een aantal voorzieningen op nihil gewaardeerd, waardoor ze niet van invloed zijn op de budgettaire ruimte van het algemene forfait, zoals werkkleding.
Sinds 1 januari 2015 wordt voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen e.d. het noodzakelijkheidscriterium ingevoerd. Onder dit criterium geldt een gerichte vrijstelling voor zover de werkgever in redelijkheid kan oordelen dat de voorziening nodig is voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Binnen het noodzakelijkheidscriterium wordt niet langer getoetst op 10% of 90% zakelijk gebruik en komen de kosten voor de rekening van de werkgever. Ook zogenoemde intermediaire kosten – kosten die de werknemer tijdelijk voorschiet – blijven buiten de regeling. De auto van de zaak valt eveneens buiten de WKR. De bijtelling voor het privégebruik ervan is loon van de werknemer en kan niet worden overgeheveld naar het algemene forfait. Tenslotte vallen ook een klein aantal verstrekkingen, zoals een kleine persoonlijke attentie (bloemetje) voor een zieke medewerker, buiten het algemene forfait.
Alle overige vergoedingen en verstrekkingen van de werkgever vallen daar in principe wel onder – zaken dus als het kerstpakket, bedrijfsfitness extern, personeelsuitjes, de fiets van de zaak en de vakbondscontributie. De posten die onder de werking van het algemene forfait vallen, hoeven werkgevers niet meer te specificeren of aan individuele medewerkers toe te rekenen. De werkgever zal op bedrijfsniveau moeten bijhouden wat precies de waarde van de verstrekkingen en vergoedingen is. De werkgever komt in de belaste sfeer als alle posten waarvoor geen gerichte vrijstelling of een andere uitzondering geldt, hoger uitvallen dan 1,2% van de fiscale loonsom. Overschrijden de vergoedingen die vrije ruimte, dan betaalt de werkgever over het teveel een eindheffing van 80 procent.
Tenslotte is nog van belang te vermelden dat op 1 januari 2015 de afrekensystematiek van de WKR is veranderd en dat er een concernregeling is ingevoerd. 

Arbeidskorting

De maximale arbeidskorting is op 1 januari 2015 verder omhoog gegaan:  € 2.220. Verder vindt de afbouw van de arbeidskorting pas plaats vanaf € 49.900 (was in 2014 € 41.300). De minimum arbeidskorting, van toepassing op de hogere inkomens, gaat in 2015 daarentegen omlaag: € 184 (was: € 367).

Algemene heffingskorting

Het maximum van de algemene heffingskorting is op 1 januari 2015 gestegen met € 100 naar € 2.203. Daar profiteren de lagere inkomens van. Voor de hogere inkomens – vanaf € 57.000 – pakt de
algemene heffingskorting per saldo iets lager uit (minimum algemene heffingskorting in 2015 is € 1.342; was in 2014 € 1.366).

Leeftijd mobiliteitsbonus omhoog

De mobiliteitsbonus, in 2013 ingevoerd, is bedoeld om werkgevers te stimuleren om o.a. oudere uitkeringsgerechtigden in dienst te nemen. Daardoor heeft een werkgever die een werkloze van 50 jaar of ouder in dienst neemt, gedurende drie jaar recht op een bonus van € 7.000 per jaar. Op 1 januari 2015 is die leeftijdsgrens omhoog gegaan naar 56 jaar. Dit geldt alleen voor nieuwe gevallen. Werkgevers die al een werkbonus ontvingen voor een voormalige uitkeringsgerechtigde van 50 jaar, ontvangen voor deze werknemers, ook al zijn die nog geen 56 jaar, dus dezelfde mobiliteitsbonus als in 2013 en 2014.

Exit doorwerkbonus

De doorwerkbonus, in 2013 ingevoerd, verdwijnt alweer. Eerst voor nieuwe gevallen, ingaande 1 januari 2015; daarna, op 1 januari 2018, helemaal. Voor oude gevallen verandert er niets.
De doorwerkbonus was een belastingkorting waarvoor werknemers van 61 tot 65 jaar in aanmerking komen. Het afschaffen ervan is een maatregel die voortvloeit uit het Begrotingsakkoord voor 2014 dat de coalitiepartijen en D66, ChristenUnie, SGP in oktober 2013 sloten.

Auto van de zaak

Ten opzichte van 2014 verandert er per 1 januari 2015 niets aan de verschillende bijtellingspercentages: die blijven 4% (volledig elektrisch), 7% (semi-elektrisch), 14%, 20% en 25%. De hoogte van de bijtelling is afhankelijk van de CO2-uitstoot (aantal gram per kilometer). In 2015 worden, met uitzondering van de 4% en 7% bijtellingscategorieën, de grenswaarden voor de bijtelling aangescherpt, en zijn de grenswaarden voor benzine en diesel voor het eerst gelijk.  

Sociaal akkoord 2013 en aftrek WW-premie werknemer en WGA-premie

Op 1 januari 2013 is in het kader van de WUL (Wet Uniformering Loonbegrip) de WW-premie voor de werknemer formeel afgeschaft. Op 1 januari 2009 was die feitelijk al op nul gesteld, hetgeen betekent dat de WW-premie sindsdien volledig voor rekening komt van de werkgevers.
In het Sociaal akkoord is afgesproken per 1 januari 2016 de maximale publiek gefinancierde WW-duur geleidelijk af te bouwen naar 24 maanden. Dit gebeurt door elk kwartaal de duur met één maand in te korten. Op 1 juli 2016 is het structurele niveau van 24 maanden WW bereikt. De WW blijft tot het voor de werknemer geldende maximum dagloon loongerelateerd. De publiek gefinancierde WW krijgt per 2016 weer het karakter van een werknemersverzekering - in de zin dat de premielast weer gelijkelijk wordt verdeeld tussen werkgevers en werknemers. Deze overgang zal lastenneutraal plaatsvinden, wat betekent dat de totale premie gebruikt wordt voor de uitkeringen, uitvoering en re-integratie en preventie. Deze overgang zal ook op koopkrachtneutrale wijze worden bereikt.
De werknemerspremie WW wordt betaald uit het bruto loon. In dit kader wordt het WGA-verhaal ook een aftrekbare premie of zelfs afgeschaft. AWVN vindt het een goede zaak dat de WW weer een werknemersverzekering wordt, in plaats van een politiek speeltje. Gevolg is echter wel dat de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet uniformering loonbegrip zullen moeten worden aangepast om de aftrek van SV-premies weer mogelijk te maken. Dit lijkt een detail, maar bezien vanuit de WUL is sprake van een omwenteling van 180 graden. Zo is in het kader van de uniformering van het loonbegrip een groot aantal principes overboord gezet, met als argument dat dit nu eenmaal noodzakelijk is in het kader van een vereenvoudigingsslag en tevens noodzakelijk is om verdere stappen te ondernemen op het pad van verdere vereenvoudigingen (loonsomheffing). Zo werd het noodzakelijk geacht op de loonafhankelijke ziektekosten en SV-premies over te hevelen naar de werkgever en in combinatie daarmee is er ook voor gekozen om de bijtelling in verband met de auto van de zaak en de opname uit levensloop mee te nemen in de premiegrondslag, met alle onvermoede effecten van dien. De herintroductie van een WW-premie voor werknemers en een aftrekbare WGA-premie, hoe terecht ook, maakt dat de uniformering van het loonbegrip en alles wat daarvoor is opgeofferd feitelijk wordt teruggedraaid. Voordeel is wel dat het beginsel “premie onbelast en uitkering belast” voor de WGA-premie weer in ere wordt hersteld.