Home / De geschiedenis van AWVN; 1919-1959

De geschiedenis van AWVN; 1919-1959

Chronologisch overzicht van belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van AWVN, van 1919 tot nu.
Te beginnen met de eerste veertig jaar tot het jubileum in 1959.
Lees hier de geschiedenis van de jaren zestig tot en met jaren negentig.
Lees hier de meest recente geschiedenis van AWVN, in de 21ste eeuw.

  • 1919 Oprichting

    Op 20 juni vindt op initiatief van een groep Zaanse industriëlen (E. Honig, H.P. Dekker en W.F. Bloemendaal) de oprichting plaats van de Zaanse Werkgevers Vereniging. Deze moet tegenwicht geven aan de groeiende macht van de vakbonden in de regio. Veertien fabrikanten uit heel verschillende nijverheidssectoren sluiten zich aan bij de Zaanse Werkgevers Vereniging. Ondernemer J.W. Dekker (inzet rechts) neemt het voorzitterschap op zich. Voor de functie van secretaris heeft de vereniging in de oprichtingsperiode een advertentie geplaatst. Daarop solliciteert mr. dr. J.J.M. Noback, een Haarlemse leraar Staatsinrichting en Staatshuishoudkunde, met succes. Noback (inzet links) zou tot aan z’n overlijden, eind 1935, als secretaris aan de werkgeversvereniging verbonden blijven. Omdat de werkgeversvereniging haar activiteiten niet wil beperken tot de Zaanstreek, verandert in oktober – al vier maanden na de oprichting, dus – de naam: Zaanse wordt Algemene.

  • 1920 Lonen en arbeidsvoorwaarden

    Een jaar na oprichting telt de Algemene Werkgevers Vereniging 71 leden. De werkgeversvereniging wilde zich in eerste instantie ook richten op het behartigen van de commerciële belangen van de leden en het beïnvloeden van het overheidsbeleid op het gebied van handel en industrie. Daarvoor blijkt echter de heterogeniteit van de achterban te groot, de belangen lopen te veel uiteen. Daarom beperkt AWV zich tot datgene wat alle leden bindt: de factor arbeid. AWV concentreert zich op lonen en andere arbeidsvoorwaarden. Leden wordt op het hart gedrukt daarover zelf geen onderhandelingen te voeren met de bonden. Dit doet AWV – dat wil zeggen de leden van het Dagelijks Bestuur. Uitgangspunt met betrekking tot de loonvorming is dat dit niet wordt bepaald ‘door de wet van vraag en aanbod voor elke onderneming afzonderlijk’. AWV streeft naar ‘algemeen loonbeleid voor een streek’.
    De contributie bedraagt 100 gulden, en daar bovenop heft AWV een bijdrage van 1% van de loonsom.

    Links de pakpapierfabriek van de N.V. Vereenigde Kon. Papierfabrieken der Firma Van Gelder & Zonen in Wormer (1923); rechts de Nederlandsche Linoleum Fabriek (NLF; tegenwoordig Forbo) in Krommenie. Beide ondernemingen sloten zich vrijwel direct aan bij AWV(N). H. Smidt van Gelder van de Koninklijke Papierfabrieken was de tweede voorzitter in de geschiedenis van AWV (1940-1951, onderbreking voorzitterschap in de periode 1942-1945 als gevolg van Duitse bezetting).

    Om de snel uitdijende hoeveelheid werkzaamheden het hoofd te kunnen bieden, is een tweede secretaris bij AWV in dienst getreden: mr. F.H.A. de Graaff. Er komt dat jaar zelfs nog een derde secretaris. Ook groeit de kantoororganisatie – sinds de allereerste dag het koninkrijk van mejuffrouw Duyf. Zij krijgt drie assistentes.

  • 1920 Centraal Overleg Arbeidszaken voor Werkgeversbonden

    AWV neemt het voortouw bij de oprichting van het Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden. Dit orgaan wordt in het leven geroepen op advies van ondernemersorganisatie VNW (Vereniging van Nederlandse Werkgevers; opgericht in 1899, vanaf 1926 Verbond van Nederlandse Werkgevers – één van de voorlopers van het huidige VNO-NCW). AWV-secretaris Noback neemt de taak als secretaris van het Centraal Overleg op zich.
    Het Centraal Overleg verzamelt gegevens over arbeidsvoorwaarden en brengt door middel van discussie met collega-werkgeversbonden (zoals de Metaalbond, de Houtbond en de Scheepvaart Vereniging Noord) eenheid in het werkgeversstandpunt op sociaal gebied. Het VNW treedt met die standpunten naar buiten en maakt problemen waar ondernemers mee te kampen hebben aanhangig bij overheid en publiek.
    Later, in 1945, zal het Centraal Overleg in Arbeidszaken voor Werkgeversbonden fuseren met de sociale afdeling van het VNW tot het Centraal Sociaal Werkgevers Verbond (CSWV; uit de fusie van VNW en CSWV ontstaat in 1968 uiteindelijk VNO, Verbond van Nederlandse Ondernemingen).

  • 1921 Eigen kantoor

    AWV betrekt haar eerste eigen kantHet eerste eigen AWV-kantooroorruimte, aan de Schotersingel 9 in de Haarlemse binnenstad. Tot die tijd had AWV haar bureau in eerste instantie gevestigd aan de Kenaustraat in Haarlem, waar ze twee sober ingerichte kamers huurde. Toen in het gezin waarvan AWV de kamers huurde (en dat zelf ook in het pand woonde) een besmettelijke ziekte uitbrak, verhuisde het kantoor – tijdelijk – naar het privéadres van secretaris Noback. Daarop besloot AWV het pand aan de Schotersingel te kopen. Overigens koopt AWV jaren later ook het belendende pand (nummer 11), en, in een nog later stadium, nummer 13.

  • 1924 Acties gericht tegen AWV-bestuurders

    Vakorganisaties van fabrieksarbeiders richten in het najaar hun pijlen op de leiding van AWV. Langdurige stakingen treffen eerst NV Koninklijke Pellerij Mercurius v/h Gebroeders Laan en enkele weken later Firma Jan Dekker – bedrijven van AWV-bestuurders. Inzet is verhoging van het minimumloon met twee gulden per week. Het pas opgerichte Instituut van het College van Rijksmiddelaars doet vergeefs pogingen het conflict te beëindigen. Pas eind februari 1925 keert de rust in de bedrijven van de AWV-bestuurders terug, overigens zonder dat de looneisen van de stakers zijn ingewilligd.
    Twee jaar later, in 1926, richt AWV regionale steunfondsen op. Bedrijven storten geld in deze potjes die het collega-ondernemers die door een staking getroffen worden, mogelijk moet maken hun verzet vol te houden.

  • 1927 Collectieve arbeidsovereenkomsten en de Wet op de cao

    De wet op de cao wordt van kracht. Het is tot dan niet ongebruikelijk dat ongeorganiseerde werknemers met ongunstigere arbeidsvoorwaarden genoegen moeten nemen dan in de collectieve arbeidsovereenkomst is afgesproken. De Wet op de cao maakt daar een einde aan: de wet verplicht werkgevers om, als er sprake is van een cao, de arbeidsovereenkomst op alle werknemers toe te passen, dus zowel georganiseerde als ongeorganiseerde.
    Collectieve arbeidsovereenkomsten zijn dan voornamelijk nog contracten op ondernemingsniveau, bedrijfstak-cao’s zijn zeldzaam. AWV heeft in de eerste decennia van haar bestaan niets op met cao’s; ze richt zich – in een tijd waarin wat betreft de totstandkoming van de lonen en andere arbeidsvoorwaarden volledige vrijheid heerst – op het afsluiten van mondelinge, stilzwijgende overeenkomsten tot wederopzegging. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in 1927 bij slechts een enkel AWV-lid sprake is van een CAO (ter vergelijking: Nederland telde in 1923 reeds 876 cao’s!). AWV beschouwt de CAO als ‘een jaarlijks abonnement op moeilijkheden’. Bonden zouden bij de vernieuwing ervan steeds nieuwe en hogere eisen stellen, is de vrees, het zou onmogelijk zijn om verworvenheden terug te draaien in tijden van laagconjunctuur. Bovendien grijpen bonden de cao aan om medezeggenschap te verwezenlijken, meent AWV. AWV propageert als alternatief de bedrijfskern: een vrijwillig door de werkgever ingestelde uit werknemers bestaande raad, zonder medezeggenschapsbevoegdheden.

    WET van 24 december 1927, houdende nadere regeling van de Collectieve Arbeidsovereenkomst

    WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

    Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
    Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is nadere regelen te stellen betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst;
    Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

    Artikel 1
    [1.] Onder collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen.
    [2.] Zij kan ook betreffen aannemingen van werk en overeenkomsten van opdracht. Hetgeen in deze wet omtrent arbeidsovereenkomsten, werkgevers en werknemers is bepaald, vindt dan overeenkomstige toepassing.
    [3.] Nietig is het beding, waarbij een werkgever verplicht wordt arbeiders van een bepaald ras of met een bepaalde godsdienst, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of leden van een bepaalde vereniging in dienst te nemen of waarbij hij zich verplicht, te weigeren hen in dienst te nemen.

    Artikel 2
    Eene vereeniging van werkgevers of van werknemers is slechts bevoegd tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten, indien de statuten der vereeniging deze bevoegdheid met name noemen.

    Artikel 3
    Eene collectieve arbeidsovereenkomst kan slechts worden aangegaan bij eene authentieke of onderhandsche akte.

    Artikel 4
    Eene vereeniging, welke eene collectieve arbeidsovereenkomst heeft aangegaan, draagt zorg dat ieder harer leden, die bij de overeenkomst betrokken is, zoo spoedig mogelijk den woordelijken inhoud der overeenkomst in zijn bezit heeft. Indien door de partijen eene toelichting op de collectieve arbeidsovereenkomst is opgesteld, geldt deze verplichting ook ten aanzien van de toelichting.

    Artikel 5
    In geval van wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst en van uitdrukkelijke verlenging van…

    Aldus begint de nieuwe wet. Bron: St-ab.nl.

  • 1929 Tienjarig bestaan

    AWV viert haar tienjarig bestaan. Ondanks de onvermijdelijke conflicten met werknemersorganisaties, heeft AWV de nodige goodwill opgebouwd bij de bonden en andersom is dat ook het geval, constateert eerste secretaris Noback. Er lijkt sprake te zijn van wederzijdse erkenning.
    Inmiddels heeft Nederland andere zorgen: in de Verenigde Staten tekent zich een zeer ernstige crisis af die Europa niet onberoerd zal laten.

  • 1934 Crisistijd

    Er heerst grote werkloosheid in Nederland – het gevolg van de economische crisis. Het totale aantal werklozen bedraagt op het hoogtepunt bijna 450.000. Degenen die wel werk hebben, worden voortdurend geconfronteerd met loonsverlagingen. Daar is begrip voor aan werknemerszijde. Veel werkgevers proberen de gevolgen van de crisis voor de arbeiders zoveel mogelijk te verzachten. AWV neemt het standpunt in dat wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de beloning, niet mogen worden doorgevoerd alvorens daarover de bonden eerst te hebben geraadpleegd.

  • 1935 Noback overleden

    Eerste secretaris J.J.M. Noback (op de foto hiernaast rechts; naast hem voorzitter Dekker) overlijdt, vlak na de kerstdagen. Tweede secretaris mr. F.H.A. de Graaff schuift een plaatsje in de hiërarchie van AWV op.

  • 1936 Licht herstel

    Het gaat in economisch opzicht weer wat beter, al blijft het aantal werklozen groot. De gulden devalueert. Alom vinden loonsverhogingen plaats. Stakingen zijn in deze periode geen onbekend verschijnsel, maar van grote arbeidsonrust is geen sprake. Inmiddels voeren niet langer de bestuursleden van AWV die arbeidsvoorwaardenbesprekingen, maar is dat de taak van de secretarissen.

  • 1937 Veranderend standpunt ten opzicht van de cao

    De Wet op het Algemeen Verbindend en Onverbindend Verklaren van Collectieve Arbeidsovereenkomsten wordt aangenomen. De minister van Sociale Zaken kan met deze wet in de hand de bepalingen van een cao wettelijke kracht geven door de cao algemeen verbindend voor een bedrijfstak te verklaren. In dat geval is de cao van toepassing op alle werknemers en werkgevers in de gehele bedrijfstak.
    Binnen AWV is de afkeer van de cao op z’n retour, maar de werkgeversvereniging heeft er nog geen enkele afgesloten. Het bestuur blijft wijzen op de nadelen, maar neigt langzaam maar zeker naar het standpunt dat de totstandkoming van een cao een zaak is waarover de betrokken partijen dienen te besluiten – en niet AWV.

  • 1940 Model-cao

    In de meidagen, vlak voor de inval van de Duitsers, bereikt AWV met de vakbonden in grote lijnen een akkoord over een model-cao. Leden kunnen deze gebruiken als zij zich tegenover de bonden bereid verklaren de arbeidsvoorwaarden in de vorm van een cao te gieten. Inzet: fragment uit het stripboek Het Van Walraven Testament.

  • 1940 Bezetting

    De Duitsers bezetten Nederland. Vakorganisaties worden uiteindelijk opgeheven en ingelijfd door het Nationaal Arbeidersfront (NAF), een overkoepelend orgaan voor werknemers en werkgevers op nationaal-socialistische grondslag. Voor J.W. Dekker, voorzitter van de AWV sinds de oprichting, is de Duitse bemoeienis reden er al in 1940 op te houden. Hij kan zich niet langer verenigen met zijn taak, ‘daar vijandige invloeden zich bij de bepaling van de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden doen gevoelen’.

  • 1941 Waardering

    Een citaat uit De Rooms-Katholieke Fabrieksarbeider over (inmiddels ex-)voorzitter Dekker en AWV, waaruit veel waardering spreekt voor de werkgeversvereniging: ‘Al moge het jammer zijn dat in zijn vereniging zo goed als geen CAO werd afgesloten. Al moge het waar zijn dat ook de voorzitter in zijn hart niet veel moest hebben van medezeggenschap. Het is een feit dat de arbeidsvoorwaarden in tal van bedrijven der AWV behoorden tot de beste in het land.’
    De eerste tijd van de bezetting richt AWV zich op het inventariseren van functies en de daaraan gekoppelde beloning, en het beschrijven en indelen van deze functies. In 1941 treedt mr. ir. B.W. Haveman als secretaris bij AWV in dienst.
    Foto rechts: AWV-medewerkers in 1941. Op de voorgrond, tweede van links (zittend op de stoel) eerste secretaris De Graaff.

  • 1942 Ondergronds

    Ook voor AWV valt het doek. Om te voorkomen dat de AWV ingelijfd wordt door het Nederlandse Arbeidersfront (NAF) laat AWV zich als economische organisatie voor liquidatie voordragen. De vereniging draagt haar bezittingen over aan de Hoofdgroep Industrie. De Graaff (inzet links) en Haveman zetten de verenigingsactiviteiten evenwel ondergronds voort in ‘Het Kantoor’; zo’n zeventig procent van de leden sluiten zich daar uiteindelijk bij aan. ‘Kantoor mrs de Graaff en Haveman’ houdt zich vooral bezig met het tegenwerken van het NAF en met verzet tegen de tewerkstelling van Nederlandse arbeidskrachten in Duitsland.

  • 1944 Interne breuk

    Haveman stapt uit de (ondergrondse) AWV. Aanleiding is het ontwerp van de Stichting van de Arbeid die na de oorlog het levenslicht moet zien.
    Reeds in de jaren dertig was er sprake van toenadering tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, maar onder invloed van de bezetting intensiveren die contacten en ontstaat er een sterk solidariteitsgevoel. Het informele, geheime overleg tijdens de oorlog komt na verloop van tijd in het teken komen te staan van de inrichting van Nederland na de bevrijding, en leidt tot het idee om de Stichting van de Arbeid op te richten – een permanent samenwerkingsverband op sociaal gebied tussen werkgevers en werknemers. Haveman vreest echter dat de werknemersorganisaties te veel macht krijgen. Hij licht zijn besluit toe in een brief in september 1945. De Graaff blijft wel voor de ondergrondse AWV werkzaam en zamelt onder de leden geld in om de periode na de bevrijding financieel te kunnen overbruggen.

  • 1945 Heroprichting

    Op 20 juni vindt in het schaftlokaal van de Zaanse puddingfabrikant De Bij, de heroprichting van AWV plaats. De vereniging – waar vrijwel alle bedrijven die voor de bezetting lid waren, zich weer hebben aangemeld (in totaal 106 individuele bedrijven en zes brancheverenigingen) – zal alle bezittingen die ze tijdens de oorlog heeft moeten afstaan, terugkrijgen.
    Mr. F.H.A. de Graaff, vrijwel vanaf het prille begin aan AWV verbonden, stopt met z’n werkzaamheden als secretaris van AWV. Hij wordt directeur van Van Gelder Zonen N.V. Koninklijke Papierfabrieken.
    Ook juffrouw Duyf (links op de foto, aan het werk in het kantoor aan de Schotersingel), die sinds de oprichting het secretariaatswerk op zich had genomen, besluit AWV te verlaten. Duyf, ‘het vooroorlogse administratieve factotum van de AWV’, neemt op 1 november afscheid. Eind 1945 heeft AWV tien personen in dienst.

  • 1945 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen

    Het kabinet-Schermerhorn/Drees kondigt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, BBA, af. Het BBA legt drastische beperkingen op aan het opzeggen van dienstverbanden, stelt de werkweek vast op 48 uur en brengt een nationale loonregeling met zich mee. Er komt een soort minimumloon (‘loonvloer’), dat gebaseerd is op het bedrag dat volgens de overheid nodig is voor het minimale levensonderhoud (voor een gezin met twee kinderen is dat 33 gulden en 52 centen). Voort stelt de overheid dat de lonen voor geoefenden en geschoolden tien tot respectievelijk twintig procent hoger mogen zijn dat die voor ongeschoolden. Als de prijzen van het levensonderhoud stijgen, zal de overheid een algemene loonverhoging (‘loonronde’) afkondigen.
    De maatregel is bedoeld om het economisch herstel in goede banen te leiden en te bespoedigen. De geleide loonpolitiek moet voor een stabiele arbeidsmarkt zorgen. Door de lonen te beheersen kunnen werknemers niet met hogere lonen door andere bedrijven of sectoren weggelokt worden, is het idee. Bovendien moet beheerste loonvorming ertoe leiden dat er bij bedrijven voldoende financiële ruimte ontstaat om weer investeringen te doen – om aldus de werkgelegenheid op de langere termijn te bevorderen.

  • 1946 Consolidering

    ‘Door de AWV wordt niet gestreefd naar uitbreiding van haar ledental doch naar consolidering van haar werkzaamheden’, meldt het jaarverslag. AWV is namelijk druk bezig de organisatie opnieuw op poten te zetten. Het is geen eenvoudige tijd: leden zijn zelf ook bezig met de herinrichting van hun bedrijf en willen daarom graag zo snel mogelijk hulp van AWV, maar de hoeveelheid deskundigen op het gebied van de arbeidsvoorwaarden waarover AWV beschikt is nog gering. Bovendien zijn de verbindingen slecht en laat de mobiliteit van AWV te wensen over: de werkgeversvereniging beschikt over één automobiel.

  • 1947 Functiewaardering

    AWV begint met functiewaardering, destijds werkclassificatie geheten. Dit gebeurt op verzoek van de leden – zij willen, na de invoering van de geleide loonpolitiek, mogelijkheden hebben om variatie in de lonen te kunnen brengen.
    De geleide loonpolitiek brengt een loonstop met zich mee – een verbod op loonsverhogingen. Er is echter sprake van een tenzij. De loonstop is niet van toepassing op achtergebleven beroepen en beroepsgroepen. Dat zet de deur open naar loonvorming op basis van werkclassificatie – een legale manier om de geleide loonpolitiek (deels) te kunnen omzeilen.
    Drie arbeidsanalisten vormen tezamen binnen AWV het Bureau Werkclassificatie. Zij maken gebruik van het zogeheten AWV-classificatiesysteem, afgeleid van een werkclassificatiesysteem dat op dat moment in gebruik is binnen de Belgische chemische nijverheid en bij Unilever.
    Bureau Werkclassificatie staat onder leiding van A.W. Worm. Worm komt van AWV-lid Rubberfabriek Vredestein; z’n overstap leidt tot een conflict tussen AWV en Vredestein. Dat dreigt z’n lidmaatschap op te zeggen, maar de zaak wordt uiteindelijk gesust.

  • 1949 Groei dankzij werkclassificatie

    AWV groeit, en dat is voor een groot deel te danken aan de populariteit van werkclassificatie. Bedrijven die gebruik willen maken van het AWV-systeem, dienen namelijk bij de werkgeversvereniging als lid aangesloten te zijn. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er 24 lid-ondernemingen bij gekomen (totaal zijn er nu 135 lid van AWV) en 11 lid-verenigingen (totaal nu 17).
    De werkzaamheden die AWV op het gebied van de werkclassificatie voor de leden verricht, vallen niet onder de contributie. AWV vindt dat niet fair, omdat niet alle bij AWV aangesloten bedrijven gebruikmaken van deze dienst. Leden die wel van deze dienst gebruikmaken, krijgen daarvoor dus een rekening.
    Inmiddels is AWV definitief over de bezwaren tegen de cao heen gestapt. In 1949 is AWV betrokken bij de totstandkoming van ruim twintig cao’s.

  • 1950 Medezeggenschap

    De Wet op de ondernemingsraden treedt in werking, vijf jaar nadat minister Drees de Stichting van de Arbeid had gevraagd advies uit te brengen over de vraag of er een wettelijke regeling met betrekking tot ondernemingsraden diende te komen, en, als het antwoord op die vraag bevestigend was, hoe die er dan uit zou moeten zien. Het overleg binnen de Stichting van de Arbeid spitste zich vooral toe op de beslissingsbevoegdheden – de mate van medezeggenschap – en de kandidaatstelling. Werknemersorganisaties wilden dat alleen leden van erkende vakbonden zich konden kandideren, werkgevers stond vrije kandidaatstelling voor ogen.
    De uiteindelijke wet draagt dan ook het karakter van een compromis. De bevoegdheden van de OR zijn beperkt tot overleg en advisering; de werkgever houdt het laatste woord. Vakbonden krijgen grotendeels hun zin met betrekking tot de kandidaatstelling. Zij hebben het eerste recht OR-leden voor te dragen; in tweede instantie, als er onvoldoende kandidaten voor de OR zijn, is vrije kandidaatstelling mogelijk.

  • 1951 Einde tijdperk

    W.F. Bloemendaal – een van de drie oprichters van AWV, hij bekleedde sindsdien diverse bestuursfuncties – verlaat na 32 jaar de werkgeversvereniging. Een jaar later neemt ook T. Duyvis, sinds 1921 bestuurslid van AWV, waaronder 25 jaar als penningmeester, afscheid. Het betekent het einde van een tijdperk: alle mannen van het eerste uur zijn van het toneel verdwenen.

  • 1952 Sociale verzekeringen

    Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog bouwt Nederland aan een indrukwekkend stelsel van sociale verzekeringen, dat pas in de jaren zestig met de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (1967) voltooid wordt verklaard. Er komt een stelsel van volks- en werknemersverzekeringen tot stand. Volksverzekeringen gelden in beginsel voor iedere Nederlandse ingezetene, werknemersverzekeringen zijn sociale verzekeringen waarvoor alleen werknemers in aanmerking komen.
    In 1952 wordt de Organisatiewet Sociale Verzekeringen van kracht. Die bepaalt dat bedrijfsverenigingen verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van werknemersverzekeringen. Dit heeft consequenties voor AWV: voor wat betreft de bij AWV aangesloten bedrijfstakken wordt AWV als ‘oprichtende en instandhoudende instantie’ van de betreffende bedrijfsvereniging aangewezen.
    AWV is in de jaren vijftig (en in de jaren zestig) niet alleen in praktische zin betrokken bij de totstandkoming van het sociale stelsel. AWV geeft direct advies aan de Stichting van de Arbeid, de Raad van Bestuur in Arbeidszaken en het College van Rijksmiddelaars. Bovendien heeft AWV zitting in tal van commissies, zoals de commissie sociale zaken, de wachtgeldcommissie en de commissie tot bestudering der vrouwen- en meisjeslonen. En tenslotte beïnvloedt AWV de politieke besluitvorming via het in 1945 opgerichte CSWV (Centraal Sociaal Werkgevers Verbond; zie ook het jaar 1920 in dit overzicht), waarin de werkgeversvereniging zwaar vertegenwoordigd is.

  • 1953 Loontechnisch Bureau

    De taken van Bureau Werkclassificatie zijn sinds de oprichting in 1947 verbreed. LTBDat krijgt nu ook steeds vaker het verzoek om zich over beloning uit te spreken. Op 1 januari verandert de naam in Loontechnisch Bureau (LTB). Het LTB vormt een afzonderlijk onderdeel van AWV ‘doch ressorteert onder het hoofd van de Afdeling Arbeidsvoorwaarden’. Binnen het AWV-bureau spreekt men van stofjassen (arbeidsanalisten en loonadviseurs) en sigaren (de secretarissen die met directieleden overleg voerden over de arbeidsvoorwaarden in de bij AWV aangesloten bedrijven en bedrijfstakken).

  • 1953 Juridische hulp aan leden

    AWV roept het Juridisch Bureau in het leven. Deze afdeling – in de beginjaren bestaande uit twee personen, onder wie ‘juffrouw mr. Mien Hekket’ – staat de leden bij ‘met adviezen en voorlichting omtrent de talloze kwesties die kunnen rijzen met betrekking tot de wetgeving op sociaal gebied, zoals ontslagkwesties, fabriekreglementen, reglementen voor ondernemingsraden, moeilijkheden bij de uitvoering van Ziektewet, Invaliditeitswet, Werkloosheidswet en zo voort, en zo voort’.

  • 1956 Dienstverlening dijt verder uit

    AWV besluit haar leden te gaan adviseren en voorlichten over personeelsbeleid. In jarenvijftig-jargon: ‘Waar de kleinere en middelgrote bedrijven niet altijd de beschikking hebben over deskundigen op het gebied van het personeelswerk, was het bestuur tot de conclusie gekomen dat onze vereniging haar leden een belangrijke dienst zou kunnen bewijzen als zij over een deskundige kracht kon beschikken die op dit nieuwe terrein van advies en voorlichting zou kunnen dienen’.
    Overigens is dit initiatief, dat pas in 1958 werkelijk vorm krijgt, geen succes; in 1967 wordt de – tweekoppige – afdeling al weer opgeheven. Het laat wel zien dat AWV voortdurend bezig is haar dienstverlening uit te breiden en aan te passen – aan de eisen van de tijd, aan de wensen van de leden. Zo zal AWV een jaar later, in 1957, de afdeling Documentatie en Research in het leven roepen, dat zich onder andere met productiviteitsberekeningen zou gaan bezighouden.

  • 1957 Verhuisplannen

    De AWV-organisatie telt inmiddels 43 medewerkers, zes jaar eerder waren dat er nog 21. De verdubbeling leidt tot huisvestingsproblemen op de Schotersingel, waar AWV– na een reeks eindeloze verbouwingen sinds de Tweede Wereldoorlog – drie oorspronkelijk belendende panden als kantoor in gebruik heeft. AWV wil weg uit de Haarlemse binnenstad en zet z’n zinnen op een geheel nieuw kantoor. De vereniging zet voor dat doel geld apart in een speciaal bouwfonds.

  • 1958 Contactgroepen

    Al sinds 1954 is er sprake van ‘verschillende groeperingen van leden die periodiek informele bijeenkomsten beleggen’. AWV besluit nu deze bijeenkomsten te institutionaliseren en noemt ze contactgroepen. Deelnemers aan de verschillende contactgroepen zijn tot ‘de ledenkring van AWV behorende ondernemers die belangstelling hebben voor en bereid zijn tijd te geven aan de bestudering van actuele onderwerpen op sociaal-economisch gebied.’
    De contactgroepen zijn de voorlopers van de huidige netwerken. De doelstelling is de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. In 1958 luiden die: ‘De tweezijdige communicatie tussen Dagelijks Bestuur en secretariaat enerzijds en de bij onze vereniging aangesloten bedrijven anderzijds te bevorderen en daardoor het Dagelijks Bestuur in staat het beleid der vereniging aan te passen aan de actuele behoefte van de leden. Behalve dat op deze wijze waardevolle adviezen uit eigen kring tot stand kunnen komen, betekent een en ander voor de ondernemers die aan het werk van deze contactgroepen deelnemen, dat zij samen met collega-werkgevers de gelegenheid krijgen de problemen waarmede zij nu in hun bedrijf geconfronteerd worden of binnen afzienbare tijd te maken krijgen, te benaderen.’

  • 1959 Jubileum. Royaal geschenk van leden

    AWV viert haar veertigjarig bestaan. Het bouwfonds van AWV krijgt een forse injectie: de leden schenken de vereniging ter gelegenheid van het jubilieum een bedrag van 235.780 gulden en 79 cent. Het staat vast dat AWV een nieuw te bouwen kantoor zal betrekken, maar de vestigingsplaats is nog onderwerp van discussie.