Home / Nieuws / Hoge Raad bevestigt: geen RVU bij vrijwillig vertrek
maandag 25 juni 2018

Hoge Raad bevestigt: geen RVU bij vrijwillig vertrek

De Belastingdienst moet bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU), uitgaan van de bedoeling van de regeling en niet van de feitelijke uitwerking. De Hoge Raad heeft dat vrijdag bevestigd. Dat betekent dat het gemakkelijker wordt om in een sociaal plan afspraken te maken over vrijwillig vertrek.

De uitspraak had betrekking op een zaak (zie het bericht van 2 februari op deze site) waarin een werkgever in het kader van een reorganisatie met de vakbonden een sociaal plan had afgesproken. Daarin was een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling opgenomen. De Belastingdienst beschouwde deze regeling als een RVU. Dat betekent dat de werkgever 52% eindheffing moet betalen over de beƫindigingsvergoeding van de vrijwillig vertrekkende werknemers. De werkgever stapte daarop naar de rechter. Hof Den Bosch gaf de werkgever gelijk, en stelde dat er inderdaad geen sprake was van een RVU. Daar ging de staatssecretaris van Financiƫn weer tegen in beroep.

Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni gaat het er bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een RVU om of de regeling bedoeld is ter overbrugging (of aanvulling) van het inkomen van de werknemer tot aan het moment dat die met pensioen gaat. De reden voor de werkgever om de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling aan te bieden noch de reden voor de werknemer om van de regeling gebruik te maken, doet ter zake. Voor de Hoge Raad zijn de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling bepalend – en niet de uitkomst van de regeling (dat wil zeggen de feitelijke uitstroom van werknemers en de verdeling over de leeftijdscohorten en de feitelijke hoogte van de ontslaguitkering). Daarmee bevestigt de Hoge Raad de eerdere uitspraak van Hof Den Bosch van 18 november 2016.

AWVN vindt…
Het is een goede zaak dat er een einde komt aan een lange periode van onzekerheid, waarin de Belastingdienst de stelling betrok dat bij het opnemen van een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling in een sociaal plan doorgaans sprake is van een RVU. Vaststaat dat moet worden gekeken naar het doel van de regeling. Als de regeling tot stand is gekomen in het kader van een reorganisatie en openstaat voor alle werknemers en de ontslaguitkering is gebaseerd op de lengte van het dienstverband, dan kan niet worden gezegd dat de regeling leeftijdsafhankelijk is. In dat geval is er ook geen sprake van een RVU. De uitspraak van de Hoge Raad maakt het dus gemakkelijker om in een sociaal plan afspraken te maken over vrijwillig vertrek om gedwongen ontslagen te voorkomen.