06 december 2023

Terbeschikkingstelling arbeidskrachten: wat lost het nieuwe wetsvoorstel op?

Wetsvoorstel ′Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten′: oude wijn in nieuwe zakken of lood om oud ijzer? Oftewel: wat is nu precies het verschil met het vorige, door de Raad van State bekritiseerde wetsvoorstel? En: komt dit nieuwe voorstel aan die bezwaren tegemoet?

Op 10 oktober, vlak voor het scheiden van de markt, heeft de demissionaire minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een initiatiefwetsvoorstel ingediend om voor een deel uitvoering te geven aan het rapport-Roemer, over ‘misstanden’ met betrekking tot arbeidsmigranten.
Dit initiatiefwetsvoorstel is op het laatste moment ingediend, omdat het vorige wetsvoorstel dit voorjaar op forse kritiek van de Raad van State stuitte.
In deze bijdrage aandacht voor het eerste wetsvoorstel en het commentaar van de Raad van State daarop. Vervolgens commentarieer op het tweede wetsvoorstel, met als afsluitende vraag: is er wel een probleem en zo ja, lost dit wetsvoorstel dit op?

Waarom dit wetsvoorstel?

Het wetsvoorstel vloeit voort uit het onderzoeksrapport van de commissie-Roemer naar aanleiding van misstanden bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Tijdens het uitbreken van de coronacrisis stond een ieder de schrijnende beelden op het netvlies van slecht gehuisveste arbeidsmigranten die in Nederland werkten. Als gevolg daarvan vond verder onderzoek plaats en ging de discussie over de positie van arbeidsmigranten voort.
Het demissionaire kabinet wil met een wet meer grip krijgen op bedrijven die voor misstanden met arbeidsmigranten zorgen, door eisen op te leggen aan alle bedrijven die arbeidskrachten uitlenen. Zo hoopt de minister de bonafide bedrijven van de malafide  te kunnen scheiden.

Verschillen eerste wetsvoorstel en aangepaste wetsvoorstel

Het eerste wetsvoorstel introduceerde een wettelijk verplicht gesteld certificeringsstelsel voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Uitleners die arbeidskrachten ter beschikking stellen mogen dit alleen nog maar doen als zij daartoe gecertificeerd zijn. Inleners mogen alleen met gecertificeerde uitleners werken. Wordt er zonder certificaat uitgeleend of ingeleend, dan kan de Nederlandse Arbeidsinspectie boetes opleggen aan zowel uitlener als inlener.

Meer weten over dit wetsvoorstel?
Neem contact op met onze expert

Ruud Blaakman

Het nieuwe wetsvoorstel spreekt niet meer over certificering maar over toelating. Uitleners die arbeidskrachten ter beschikking stellen, mogen dit alleen nog maar doen als zij daartoe zijn toegelaten. Inleners mogen alleen met toegelaten uitleners werken. Uitlening of inlening door of van toegelaten bedrijven kan leiden tot boetes door de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Het oprichten van een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan, de zogeheten certificerende instelling, is verdwenen in het nieuwe wetsvoorstel. Het toelaten van bedrijven is nu voorbehouden aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zelf.

Werkingssfeer

Wie worden toegelaten als uitlener – oftewel hoe ruim of beperkt is de werkingssfeer van het wetsvoorstel?
De werkingssfeer betreft alle rechtspersonen en ondernemingen die arbeidskrachten ter beschikking stellen, zoals gedefinieerd in de Waadi. Situaties waarin arbeidskrachten bij een derde partij arbeid verrichten maar waarin zij niet onder leiding en toezicht daarvan staan, vallen niet onder de toelatingsplicht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het aannemen of uitbesteden van werk. De beveiliging, schoonmaak en catering worden hierbij als voorbeelden genoemd.
Payrolling als specifieke vorm van terbeschikkingstelling valt wel onder de reikwijdte van het wetsvoorstel. Buiten Nederland gevestigde ondernemingen die in Nederland arbeidskrachten ter beschikking vallen ook onder de reikwijdte. Het gaat hier bijvoorbeeld om in het buitenland gevestigde uitzendbureaus.
Zelfstandigen vallen niet onder de werkingssfeer. Wel kunnen bepaalde arbeidskrachten die buiten een arbeidsovereenkomst werken onder de reikwijdte van de WAADI vallen, zoals bepaalde freelancers.

De drie uitzonderingen van de WAADI waarbij geen sprake is van terbeschikkingstelling en die dus niet onder het nieuwe wetsvoorstel vallen, zijn:
ter beschikkingstelling ten behoeve van een geleverde zaak of tot stand gebracht werk (denk bijvoorbeeld aan aanneming van werk of het leveren van een machine en personeel ter beschikking stellen om de machine te installeren zoals loonbedrijven)
collegiale uitleen, ′het bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk ter beschikking stellen′. Deze definitie is vervangen door het tegen vergoeding van ten hoogste de loonkosten ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Voor de berekening van de loonkosten worden bij of krachtens AMvB nadere regels gesteld. Deze loonkosten bestaan uit het brutoloon, vermeerderd met vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag, premies werknemersverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremies. In voorkomend geval past een werkgever beloningselementen toe die niet onder voornoemde looncomponenten vallen. Daaraan worden wel nadere voorwaarden gesteld. Het totale bedrag mag vermeerderd worden met een nader vast te stellen opslag voor indirecte kosten voor bijvoorbeeld personeelszaken; gedacht wordt aan 5 tot 10%
intra-concern uitlenen.

Verder is in het wetsvoorstel opgenomen dat als de invoering van de toelatingsplicht tot onwenselijke en disproportionele gevolgen leidt, de minister bij AMvB een sector van het bedrijfsleven of segment van de arbeidsmarkt worden uitgezonderd.

Ondernemingen waarbij het ter beschikking stellen van arbeidskrachten een zeer gering onderdeel van de bedrijfsactiviteiten vormt, kunnen ontheffing krijgen van de verplichting tot toelating. Denk aan bedrijven die op beperkte schaal medewerkers inzetten als interim-krachten. De minister van SZW heeft deze bevoegdheid. Voorwaarden voor ontheffing zijn:
• de uitlener heeft over een periode van ten minste 12 maanden loon uitbetaald
de som van de vergoedingen voor arbeidskrachten die ter beschikking zijn gesteld bedraagt minder dan 10% van de loonsom
• de som van vergoedingen voor terbeschikkinggestelde arbeidskrachten bedraagt niet meer dan € 2,5 miljoen.

Hoe wordt het stelsel verder ingericht?

Als blijkt dat een bedrijf onder de werkingssfeer van de wet valt, moet de uitlener aan een aantal stappen voldoen. Om toegelaten te worden moeten uitleners:
• om toelating vragen (voor dit verzoek om toelating is een rapport nodig van een inspectie-instelling waarin aangegeven wordt dat voldoen is aan de normen – SNA, inleenbeloning, huisvesting)
• een verklaring omtrent het gedrag (VOG) overleggen
• financiële zekerheid geven door middel een waarborgsom
• voldoen aan een normenkader dat in het kort neerkomt op het SNA-normenkader, aangevuld met normen voor naleving van de inleenbeloning evenals huisvesting (het normenkader wordt bij de uitleners jaarlijks gecontroleerd door private inspectie-instellingen; de Arbeidsinspectie controleert of uitlening enkel door gecertificeerde bedrijven plaatsvindt).

Voor inleners gaat gelden:
• dat zij enkel nog van toegelaten uitleners gebruik mogen maken die arbeidskrachten ter beschikking stellen
• dat zij bij inlening registratieverplichtingen en een bewaarplicht van 7 jaar krijgen
• dat zij bij controle van het loonverhoudingsvoorschrift moeten meewerken met de inspectie-instellingen.

Overgangsmaatregelen

De wet zou op 1 januari 2025 in werking moeten treden en op 1 januari 2026 zou de toelatingsplicht moeten zijn ingevoerd. Kern van het overgangsrecht is dat uitleners die tijdig een eerste aanvraag voor toelating hebben ingediend waarover de minister op 1 januari 2026 nog niet heeft beslist, arbeidskrachten ter beschikking mogen blijven stellen. Dit geldt tot over de aanvraag is beslist.

Om onder het overgangsrecht te kunnen vallen, moet een uitlener binnen 6 maanden na inwerkingtreding van de wet, dus vanaf 1 januari 2025 tot 1 juli 2025, een aanvraag om toelating doen. Wanneer dat na 1 juli 2025 gebeurt, is het niet meer mogelijk gebruik te maken van het overgangsrecht.

Een verzoek om toelating moet vergezeld gaan van een rapport van een inspectie-instelling dat aangeeft dat het normenkader wordt nageleefd. Omdat het in de lijn der verwachtingen ligt dat de inspectie-capaciteit niet kan voorzien in het opstellen van alle benodigde rapporten, is een eenmalige overgangsmaatregel voor uitleners zonder inspectierapport van toepassing. Wanneer een uitlener een SNA-certificaat heeft, mag die bij de eerste aanvraag dit certificaat overleggen. Dus een aanvraag moet voor 1 juli 2025 zijn ingediend, en uitlener dient te beschikken over een geldig SNA-certificaat. Het is dus belangrijk tijdig in het bezit te zijn van een SNA-certificaat.

Wanneer een uitlener desalniettemin niet tijdig kan beschikken over een SNA-certificaat, kan een uitlener toch een aanvraag om toelating doen zonder dit certificaat, als die
• voor de datum van inwerkingtreding van de wet, dus voor 1 januari 2025, aan de minister van SZW meldt dat hij een aanvraag zal indienen
• de aanvraag voor 1 juli 2025 daadwerkelijk doet
• zo spoedig mogelijk na de aanvraag alsnog een inspectierapport overlegt.
Een aanvrager die hieraan voldoet, kan zonder inspectierapport of SNA-certificaat toch een aanvraag om toelating indienen. Het is alsdan toegestaan nog steeds arbeidskrachten ter beschikking te stellen.

Een aanvraag om toelating moet voor 1 juli 2025 zijn ingediend. Voor deze datum moeten uitleners beschikken over een SNA-certificaat. Dat betekent dat veel uitleners alsnog SNA gecertificeerd moeten worden om te voldoen aan de NEN-norm 4400. Bedenk echter dat bij het indienen van de aanvraag om toelating, op dat moment al voldaan moet zijn aan de controle-normen, waaronder het naleven van de inleenbeloning en de voorwaarden omtrent huisvesting.

Komt dit wetsvoorstel aan de bezwaren tegemoet?

De vraag is of de gekozen inrichting van het stelsel aan de bezwaren van de Raad van State tegemoet komt. Die twijfelde over nut en noodzaak van een zelfstandig bestuursorgaan. Dat instituut is met het aangepaste wetsvoorstel verdwenen.

De Raad van State vroeg zich daarnaast met name af of de voorgestelde maatregelen de misstanden zouden wegnemen, en of er niet een eenvoudiger stelsel denkbaar is. In het tweede wetsvoorstel is iets meer ruimte gekomen voor enkele bedrijven en sectoren om buiten het toelatingssysteem te blijven, maar de minister houdt in de basis vast aan een uitgebreid en ingewikkeld toelatingsstelsel voor alle Nederlandse uitleners en inleners, niet enkel beperkt tot arbeidsmigranten. Dit bezorgt een groot deel van de bedrijven die met enige vorm van in- of uitlening te maken hebben maar ver af staan van de misstanden waarvoor het wetsvoorstel aanleiding vormde, extra administratieve belasting. Ook zijn er zorgen over de regeldruk van € 143 miljoen, 90 extra inspecteurs en structureel € 10,5 miljoen voor intensivering van de publieke handhaving door de Arbeidsinspectie, die toch al onder hoge druk staat.

AWVN vindt dat dit nieuwe wetsvoorstel, waarin het advies van de Raad van State alleen op onderdelen is gevolgd, nog altijd niet in proportie is tot het geschetste probleem. Met het doel van het wetsvoorstel, invulling geven aan de bevindingen en conclusies uit het rapport-Roemer, legt dit wetsvoorstel een administratieve last met een disproportionele omvang op ondernemend Nederland. AWVN schaart zich achter de wens van de minister om misstanden met arbeidsmigranten aan te pakken, maar pleit voor een meer probleemgerichte, specifieke aanpak.

Deel dit artikel via: Deel dit artikel via Whatsapp Deel dit artikel via Twitter Deel dit artikel via Facebook Deel dit artikel via Linkedin Deel dit artikel via Mail
aanmelden