Het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wab zijn er vanaf 1 januari 2020 twee premietarieven binnen het Awf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden.
Om te voorkomen dat contracten die aan de voorwaarden van de lage premie voldoen (zoals vaste contracten) toch als flexibele arbeid worden ingezet, zijn bepaalde uitzonderingen opgenomen. Bij deze uitzonderingen, zogeheten herzieningssituaties, draagt de werkgever met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie af.
Eén van deze situaties is dat een werknemer binnen een kalenderjaar 30% of meer uren overwerkt. Deze uitzondering was vanwege de coronacrisis voor de jaren 2020 en 2021 opgeschort, maar is sinds 2022 weer in werking getreden.
Zowel het hoge als het lage tarief blijven voor 2026 hetzelfde als in 2025: 2,74% en 7,74%. De gemiddelde Awf-werkgeverspremie bedraagt 3,89% in 2026. De definitieve vaststelling van de Awf-premie vindt plaats in oktober.
Overheidswerkgevers betalen geen WW-premie, maar zijn eigenrisicodrager voor de WW. Zij betalen een Ufo-premie (uitvoeringsfonds voor de overheid). Deze is ten opzichte van 2025 ongewijzigd en bedraagt 0,68%.