Armoede onder werkenden neemt al jaren af, en is op een historisch laag niveau. Werken is en blijft dan ook de belangrijkste remedie tegen armoede.
Van de mensen die in Nederland in armoede leven heeft bijna de helft inkomen uit werk. Dat staat in de publicatie ′Leven in armoede 2025′, die het CBS eind 2025 presenteerde. Een opvallende constatering die vraagt om meer inzicht in de cijfers en de oorzaken van armoede onder werkenden. Wat blijkt: werkenden in armoede zijn vaak zelfstandigen die een lastig jaar hebben gehad of mensen die in loondienst zijn, maar zo weinig werken dat ze niet boven de armoedegrens komen. Werkende armen maken bovendien relatief vaak géén gebruik van toeslagen en andere inkomensondersteunende regelingen. Gezien de oorzaken ziet AWVN vooral een rol voor de overheid in de aanpak van armoede onder werkenden.
Wat verstaan we onder armoede en hoe wordt dat gemeten?
Iemand is arm als in het huishouden, nadat de vaste lasten betaald zijn, te weinig inkomen en spaargeld overblijven voor andere basisbehoeften als eten, kleren en sociale activiteiten.
Armoede wordt gemeten aan de hand van de armoedegrens. Dit is het minimumbedrag dat een huishouden nodig heeft om normaal te kunnen leven.
De grens verschilt per huishoudenstype en varieert van 1.600 euro per maand voor een alleenwonende tot 3.000 euro voor een paar met twee kinderen van 13 tot 18 jaar.
Hoeveel werkenden zijn arm?
Het gaat om zo’n 175.000 werkenden die arm zijn – werknemers en zelfstandigen. Om het in perspectief te plaatsen: 2% van de werkende bevolking maakt deel uit van een arm huishouden. In 2018 was dat nog 3,1%. Ook het aandeel werknemers dat langdurig in armoede leeft daalde gestaag van 0,5% in 2020 naar 0,2% in 2024.
Hoewel het risico op armoede onder werkenden nog altijd relatief laag is, en de afgelopen jaren is gedaald, vormen werkenden inmiddels een relatief groot aandeel van de groep mensen in armoede. Door maatregelen die de koopkracht verbeterden, kwamen de afgelopen jaren vooral mensen met een uitkering uit de armoede, en bleven in verhouding meer werkende mensen achter. Werkende armen verlaten de armoede wel veel sneller dan uitkeringsgerechtigden.
Armoede naar type werkende en per bedrijfstak
Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn met 4,4% ruim twee keer zo vaak arm als werknemers (1,7%) en zelfstandigen met personeel (1,8%). Per bedrijfstak lopen de percentages werkende armen sterk uiteen. In de cultuur, recreatie en overige dienstverlening is de armoede bij alle drie de groepen werkenden relatief groot. Dat geldt ook voor de handel, vervoer en horeca. In de zakelijke dienstverlening hebben vooral werknemers en zzp’ers met armoede te maken, net als in het onderwijs en de bouwnijverheid.

Het gaat in deze bedrijfstakken niet zozeer om de hoogte van het loon, maar om tijdelijk werk (vaak seizoensarbeid) of om kleine deeltijdcontracten met weinig uren per week. En hiermee komen we bij de belangrijkste oorzaken van armoede onder werkenden.

Beperkt aantal gewerkte uren en geen toeslagen
Werkende armen werken vaak weinig uren per week of een beperkt aantal maanden per jaar. Het gros kan of wil niet voltijd werken, bijvoorbeeld omdat ze een opleiding volgen, zorgen voor familie of vanwege eigen gezondheidsproblemen. Bovendien vraagt deze groep relatief vaak geen toeslagen aan, terwijl ze daar wel recht op hebben. Ze denken dat deze niet voor hen bedoeld zijn of ze zijn bang dat ze geld moeten terugbetalen.
Staatssecretaris Jurgen Nobel (Participatie en Integratie) geeft aan wat er voor nodig is om deze oorzaken aan te pakken: “Door meer uren te werken kunnen veel mensen uit armoede komen. Maar dat is niet voor iedereen mogelijk. Werken moet wel lonen en regelingen om werkenden te helpen met geldzorgen moeten eenvoudiger, zonder dat mensen bang hoeven te zijn voor terugvorderingen. Daar werk ik aan samen met gemeenten.”
Hoger minimumloon geen oplossing, maar wat dan wel?
Een hoger minimumloon wordt ook wel eens genoemd als oplossing voor werkende armen. Terwijl het er juist om gaat dat méér werken aantrekkelijker moet zijn, zoals de staatssecretaris ook aangeeft. Verhoging van het minimumloon gaat voor deze relatief beperkte groep werkenden niet de oplossing bieden, terwijl het wel nadelige gevolgen heeft voor de gehele arbeidsmarkt.
Een hoger minimumloon heeft namelijk impact op het hele loongebouw en leidt tot een stijging van de loonkosten. Vooral arbeidsintensieve sectoren worden daardoor geraakt en het kan negatieve gevolgen hebben voor de werkgelegenheid. Verhoging van het minimumloon kan zelfs ten koste gaan van de betreffende groep werkende armen, als daardoor hun contract vervalt of ze minder uren kunnen werken – zeker als productiviteit en lonen uiteenlopen. Door loonvorming over te laten aan de sociale partners kunnen lonen beter worden afgestemd op wat haalbaar en passend is binnen een sector of organisatie.
Het is vooral zaak de oorzaken van het lage aantal werkuren aan te pakken en belemmeringen om meer uren te werken weg te nemen. Dat is niet alleen goed voor werknemers die daardoor meer salaris en een stevigere arbeidsmarktpositie krijgen. Werkgevers kunnen zo vacatures vervullen en meer economische groei en economische zelfstandigheid komt de gehele samenleving ten goede.
Langdurige armoede onder werkenden komt relatief weinig voor (0,2%) en is verwaarloosbaar als het gaat om voltijdswerknemers. De aanpak van het ministerie van SZW is er dan ook vooral op gericht om meer uren werken te stimuleren en meer werkzekerheid te bieden. Daarnaast zijn er initiatieven gestart om het niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen te verlagen. In het Nationaal Programma Armoede en Schulden wordt specifiek aandacht besteed aan maatregelen voor werkenden met een laag inkomen.
Werken moet wel lonen en dat is gelukkig meestal het geval. De cijfers van het CBS laten zien dat meer dan 98% van de werkenden een besteedbaar inkomen heeft dat boven de armoedegrens ligt. De uitdaging zit vooral in ervoor zorgen dat méér werken méér loont.
AWVN ziet vooral een rol voor de overheid in de aanpak van armoede onder werkenden en beveelt het volgende aan.
1. De lasten op arbeid verlagen
Zo wordt het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen aan te nemen en wordt het aantal banen rond het minimumloon die dreigen te verdwijnen beperkt.
2. Verschil tussen bruto- en nettolonen verkleinen
Werknemers houden dan meer over van hun loon. Dat maakt méér uren werken extra aantrekkelijk voor werkenden. De stijging van de lasten op arbeid wordt gematigd en zullen er minder banen boven het minimumloon verdwijnen.
3. Toeslagensystematiek aanpassen
Dit om te bewerkstelligen dat verhoging van het minimumloon niet ten koste gaat van andere inkomsten (armoedeval), zodat de stijging van het minimumloon écht het inkomen verbetert van werknemers met het minimumloon.
4. Sociaal vangnet en betere regelgeving voor laagbetaalde zzp’ers ontwikkelen
Daarmee wordt een belangrijk deel van armoede onder werkenden aangepakt.
5. Werkgeverschap aantrekkelijker maken
Zodat werkgevers werknemers rond het minimumloon eerder een vaste baan (van grotere omvang) kunnen aanbieden.
Tip: de WerkUrenBerekenaar van het Nibud geeft werknemers snel en gemakkelijk inzicht in de gevolgen van meer uren werken voor het netto besteedbaar inkomen.
Wat kun je doen als werkgever?
Hoewel vooral de overheid aan zet is, kunnen werkgevers ook een bijdrage leveren aan het bestrijden van armoede onder werkenden. Bijvoorbeeld door de urenkeuze actief ter sprake te brengen in gesprekken tussen medewerker en leidinggevende, door het aantrekkelijk te maken om meer uren te werken en door belemmeringen voor meerwerk weg te nemen. Voorbeeld: in de schoonmaaksector is het niet altijd mogelijk of wenselijk dat iemand meer uren werkt, bijvoorbeeld omdat het aanbod aan schoonmaakwerk op een locatie beperkt is. Een werknemer kan meer uren gaan werken door bijvoorbeeld op dezelfde locatie ook enkele uren in de catering te werken.
Log in met de gebruikersnaam die je altijd gebruikt en die bij ons bekend is, maar met het wachtwoord van je bijbehorende werk- school- of privéaccount van Microsoft of Gmail