We investeren massaal in duurzame inzetbaarheid, en slaan toch vaak de plank mis. Wat hebben werknemers en ondernemers eigenlijk nodig om duurzaam inzetbaar te blijven? Volgens Josette Dijkhuizen, ondernemer, bijzonder hoogleraar aan Tilburg University en kroonlid bij de SER, stellen we die vraag te weinig. “Beleidsmakers denken te vaak vóór mensen in plaats van mét ze te praten”, vertelt ze. Volgens haar moeten werkgevers, opdrachtgevers en beleidsmakers uit de ivoren toren stappen.
Voor de interviewserie Impactmakers van AWVN brengen we denkers en doeners in beeld die richting geven aan de toekomst van werk, arbeidsverhoudingen en de samenleving. Mensen die niet alleen ideeën hebben, maar ze ook in de praktijk brengen, en daarmee zichtbaar verschil maken.
Waarom een impactmaker?
Josette Dijkhuizen (Eindhoven, 1969) is een impactmaker omdat zij haar loopbaan heeft opgebouwd rond het versterken van ondernemers en ondernemende mensen. Als ondernemer, bijzonder hoogleraar Duurzame inzetbaarheid van ondernemers in Nederland aan Tilburg University en kroonlid van de SER houdt zij zich bezig met vraagstukken rond ondernemerschap, persoonlijke ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid. Haar focus ligt onder meer op intern, sociaal en vrouwelijk ondernemerschap en de psychologische kant van ondernemerschap.
Ze laat zien dat succesvol ondernemerschap niet alleen draait om economische groei, maar ook om persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke waarde. Dat blijkt ook uit haar inzet voor vrouwen uit de opvang en statushouders, die zij jarenlang begeleidde naar werk of ondernemerschap en daarmee hielp nieuw perspectief op te bouwen.
Duurzame inzetbaarheid (DI) staat al jaren hoog op de HR-agenda. Maar waar hebben we het dan precies over? “De SER heeft DI opgedeeld in drie pijlers”, legt Dijkhuizen uit. “Dat zijn vitaliteit, werkvermogen en inzetbaarheid. Daarmee bedoelen we dat mensen gezond zijn, hun werk aankunnen en voorbereid zijn op de toekomst.”
“Ze zagen niet de mens die ik zag. Ze zagen alleen iemand uit de opvang, iemand uit de bijstand. En dan wordt er vooraf al besloten dat het niet gaat lukken.”
Binnen de meeste organisaties is er veel aandacht voor vitaliteit en werkvermogen. Denk bijvoorbeeld aan leefstijlprogramma’s of het tegengaan van verzuim. Volgens Dijkhuizen blijft inzetbaarheid voor de toekomst echter achter. “Organisaties zijn bezig met de problemen van vandaag”, vertelt ze. “Daardoor komen ze minder toe aan de vraag hoe iemand over vijf of tien jaar nog mee kan. Terwijl daar eigenlijk de grote uitdaging ligt.”
Juist als het gaat om die toekomst, slaan veel organisaties een essentiële stap over. Ze bedenken beleid, regelingen en interventies, maar vragen niet wat mensen zelf nodig hebben. “Je kunt morgen al beginnen”, legt Dijkhuizen uit. “Het is niet ingewikkeld. Vraag gewoon in een werkoverleg aan je mensen en heb oprechte interesse in ze: ‘waar heb je behoefte aan?’ Alleen gebeurt dit in de praktijk niet altijd, omdat we denken het zelf wel te weten. Maar als mens willen we ons gehoord voelen en weten dat er echt aandacht voor ons is.”
Ook ontbreekt het leidinggevenden vaak aan tijd. “Die zitten tussen de directie en hun team in en ervaren al enorme werkdruk. En dan moeten ze hier ook nog iets mee. Dan schiet het er soms gewoon bij in.”
In de praktijk liggen wat we bedenken en wat er gebeurt vaak ver uit elkaar, ziet Dijkhuizen. “Dan zetten we een pingpongtafel op kantoor en leggen we appels neer. Terwijl daar de vraag helemaal niet zit. Ik chargeer het nu, maar in de praktijk wordt de plank vaak flink misgeslagen. Als je mensen niet echt ziet en zelf gaat invullen wat er aan de hand is dan is de kans groot dat je ernaast zit met wat je aanbiedt.”
Uit eigen ervaring weet Dijkhuizen dat theorie en praktijk niet altijd hetzelfde zijn. “Ik heb vijf broers die in de bouw werkten. Met hen praat ik niet in academische vaktermen en dat hoeft ook niet voor een fijn gesprek”, vertelt ze. “Werkgevers en opdrachtgevers moeten ook proberen om beter aan te sluiten bij de belevingswereld van mensen. Als je ze niet bereikt in hun eigen taal en context, dan mis je ze.”
Werkgevers en opdrachtgevers redeneren volgens Dijkhuizen vaak vanuit hun eigen perspectief. “Veel van wat ze doen is extrinsiek gemotiveerd, bijvoorbeeld om verzuim tegen te gaan of om productiviteit te verhogen”, legt ze uit. “Maar werknemers denken: wat heb ik eraan? Als beleid zo wordt ingericht, voelen werknemers dat haarfijn aan en haken ze af.”
Mensen die zich gezien en gesteund voelen, komen verder. Volgens Dijkhuizen zit daar precies de sleutel tot duurzame inzetbaarheid. Vooral bij mensen die nu nog langs de kant staan ligt volgens haar veel potentieel.
Zo begeleidde Dijkhuizen jarenlang vrouwen uit de opvang en statushouders richting werk of ondernemerschap. Ze zag hoe mensen weer zelfvertrouwen kregen, plannen maakten en weer perspectief vonden. “Je ziet dat die mensen echt wel willen maar dat maatwerk en oprechte aandacht voor het individu essentieel is”, vertelt ze.
Maar op het moment dat ze een volgende stap wilden zetten, liep het vast. “Dan zat ik bij de gemeente en kreeg ik gewoon te horen: dit kunnen ze niet”, vervolgt Dijkhuizen. “Ze zagen niet de mens die ik zag. Ze zagen alleen iemand uit de opvang, iemand uit de bijstand. En dan wordt er vooraf al besloten dat het niet gaat lukken. Dan dacht ik: maar heb je wel gezien wat ik zie? Ik heb iemand negen maanden begeleid, ik zie wat iemand kan. Geef ze dan op z’n minst de kans om het te proberen.”
Het kan ook anders. In de bouw zag Dijkhuizen in een onderzoek dat de zelfstandigen die waren geïnterviewd vaak goed wisten wat ze nodig hadden om hun werk vol te houden. “Die investeren in hun gezondheid, omdat ze weten: anders kan ik mijn werk niet blijven doen.” Werkgevers, opdrachtgevers en beleidsmakers doen er volgens haar goed aan om dat soort initiatieven te ondersteunen.
“Begin niet met een gestandaardiseerd pakket, maar ga het gesprek aan en speel daarop in met maatwerk”, legt Dijkhuizen uit. “Als jij oprecht geïnteresseerd bent, dan voelen mensen dat. Dan zijn ze ook bereid om een stap harder te gaan lopen en volgt die extra productiviteit vanzelf.”
Log in met de gebruikersnaam die je altijd gebruikt en die bij ons bekend is, maar met het wachtwoord van je bijbehorende werk- school- of privéaccount van Microsoft of Gmail