Logo AWVN
24 september 2026

GroentenFruit Huis: ‘Ga niet steeds uit van de slechtste werkgever’

Het kabinet wil de regeldruk verminderen en meer aandacht besteden aan een leven lang ontwikkelen. GroentenFruit Huis is blij met deze ambities, maar ziet tegelijk dat de lasten voor werkgevers blijven oplopen en het gesprek in de polder verhardt. Cinthia Olivier, manager Organisatie & Bedrijfsvoering en plaatsvervangend directeur bij GroentenFruit Huis, pleit daarom voor minder landelijke sturing en meer onderling vertrouwen.

De Prinsjesdagplannen zijn gepubliceerd en de eerste analyses zijn geschreven. Wat zijn de belangrijkste inzichten en waar moeten organisaties mee aan de slag? We gaan erover in gesprek met verschillende werkgevers. Vandaag: het GroentenFruit Huis. Meer weten? Lees meer over de Prinsjesdagplannen dit jaar.

Wat vind je van de Prinsjesdagplannen?

“Veel maatregelen moeten nog worden uitgewerkt. Daardoor is het lastig om nu al een stevig oordeel over de plannen te vormen. In grote lijnen zijn we positief over de aandacht voor preventie en gezondheid, infrastructuur en bereikbaarheid en onderwijs.

In onze sector zien we namelijk dat sommige medewerkers moeite hebben met basisvaardigheden, zoals lezen, schrijven en digitale vaardigheden. Het is zonde als zulke achterstanden pas op de arbeidsmarkt moeten worden hersteld. De overheid moet daarom sterker inzetten op het voorkomen ervan.

Ook is het goed dat het kabinet de regeldruk wil verminderen. Hopelijk leidt dat er daadwerkelijk toe dat regels worden geschrapt en ondernemers weer meer ruimte krijgen om te ondernemen.”

Welke onderwerpen vragen om extra aandacht?

“De lasten voor werkgevers blijven een belangrijk punt van zorg. Veel bedrijven in onze sector werken met krappe marges en arbeid is voor hen een van de grootste kostenposten. De arbeidskosten zijn de afgelopen jaren, onder meer door de extra verhogingen van het wettelijk minimumloon, flink gestegen. Het is daarom goed dat het minimumloon nu regulier wordt geïndexeerd en niet opnieuw extra wordt verhoogd. De overheid moet de loonontwikkeling niet te veel sturen, maar ruimte laten voor maatwerk tussen werkgevers en werknemers.

Daarnaast moet meer werken netto meer opleveren. We horen dat medewerkers soms afzien van het aanbod om meer te werken, omdat zij daardoor toeslagen moeten inleveren. Zo zou het niet mogen werken. De overheid moet daarom kritisch naar de fiscale regels kijken en ervoor zorgen dat niet alles op werkgevers wordt afgeschoven.”

Welke uitdagingen spelen er verder binnen jullie sector?

“Onze sector heeft te maken met seizoensgebonden pieken en dalen. De mate waarin bedrijven daarmee te maken hebben verschilt, maar flexibele arbeid blijft voor onze sector belangrijk. Tegelijkertijd verandert er veel rond uitzendwerk, onder meer door de komst van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA). Daarbij is het de vraag of er straks nog voldoende arbeid beschikbaar blijft.

Laat ik vooropstellen: misstanden moeten worden aangepakt. Werkgevers die bewust de regels overtreden, moet je hard aanpakken. Daarvoor is goede handhaving essentieel. Je kunt dan wel steeds nieuwe regels bedenken, maar zonder handhaving blijven de misstanden bestaan.

Daarnaast is het belangrijk dat overheid bij (nieuwe) regelgeving niet steeds uitgaat van de slechtste werkgever. Binnen onze sector proberen we flexibele arbeid zelf goed te organiseren. Daarover hebben we afspraken gemaakt in onze cao. Werkgevers die daaraan gebonden zijn, mogen bijvoorbeeld alleen samenwerken met gecertificeerde uitzendbureaus. Daarnaast hebben we afgesproken dat een uitzendkracht na 36 maanden bij dezelfde opdrachtgever een vast contract aangeboden moet krijgen.”

Het kabinet wil de regeldruk verminderen. Waar moet het beginnen?

“Het is goed dat het kabinet kritisch kijkt naar bestaande regels. Onze bedrijven moeten aan allerlei eisen en certificeringen voldoen, wat per onderneming hoge kosten met zich meebrengt. Kijk daarom niet alleen naar welke regels kunnen worden geschrapt, maar ook naar de kosten en uitvoerbaarheid ervan.

We willen in Nederland steeds meer situaties vooraf regelen. Denk bijvoorbeeld aan verlof voor rouw of mantelzorg. Dat zijn juist situaties die om maatwerk vragen. De ene medewerker wil na een overlijden snel weer aan het werk, omdat het werk structuur biedt. Een ander heeft veel langer nodig. Daarover moeten werkgever en werknemer samen het gesprek kunnen voeren.

Door alles in rechten en verplichtingen vast te leggen, nemen we het gesprek tussen werkgever en werknemer steeds meer weg. Dat is zonde. Natuurlijk moet er een bepaalde basisbescherming zijn, ook voor werknemers van wie de werkgever dat gesprek niet vanzelf aangaat. Maar we mogen er ook meer op vertrouwen dat werkgevers het goede willen doen en zuinig zijn op hun mensen.”

Heeft dat gebrek aan vertrouwen ook zijn weerslag op de polder?

“Absoluut. Het gesprek tussen werkgevers en vakbonden is de afgelopen jaren harder geworden. Aan de cao-tafel gaat het vrijwel alleen nog over loon. Daar gaat bijna alle financiële ruimte naartoe, waardoor weinig overblijft voor afspraken over bijvoorbeeld duurzame inzetbaarheid.

Ik heb de afgelopen jaren zelf aan de cao-tafel gezeten met een groep ondernemers en zie hun worsteling. Ze willen het zo graag goed doen voor hun werknemers en begrijpen de vakbonden op sommige punten ook. Maar het geld is gewoon op. Dan is steeds de vraag: waar zit nog ruimte en wat kunnen we nog doen? Daarom is het zo belangrijk om rekening te houden met verschillen tussen sectoren. Er wordt gemakkelijk gezegd dat de winsten van bedrijven hoog zijn, maar dat beeld geldt niet voor iedere sector. Ik hoop dat vakbonden blijven kijken naar wat er per sector mogelijk is.

Werkgevers en werknemers moeten daarvoor het gezamenlijke doel weer centraal stellen. In 2023 was ik tijdens een inspiratiereis van AWVN naar Kopenhagen erg onder de indruk van het onderlinge vertrouwen tussen vakbonden en werkgevers daar. Zij regelen arbeidsvoorwaarden voor een groot deel zelf via cao’s en minder via wetgeving. Toen dacht ik: zo kan het ook. Dat vertrouwen moet ook in Nederland de basis zijn. Wij moeten daarom weer constructief met elkaar in gesprek en gezamenlijk zoeken naar waar we elkaar kunnen vinden. Niet tegenover elkaar, maar met elkaar.”

Deel dit artikel via: