donderdag 10 december 2020

Detacheringsrichtlijn EU: van toepassing op transportarbeid?

Als een werkgever werknemers in de Europese Unie (EU) detacheert, moet hij die werknemers op grond van de Europese Detacheringsrichtlijn de arbeidsvoorwaarden van de toepasselijke algemeen verbindend verklaarde (AVV) cao betalen. Van internationale detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn is geen sprake is als de werkzaamheden van een werknemer onvoldoende nauw verbonden zijn met het werkland. Dit is het geval als de werknemer op het grondgebied waarheen hij is gedetacheerd zeer beperkt diensten verricht.

 

De Detacheringsrichtlijn ziet toe op alle vormen van grensoverschrijdende arbeid. Zowel aanneming van werk, overeenkomsten van opdracht, uitzendarbeid als intraconcern werkzaamheden vallen onder de richtlijn.
Het is aan de lidstaat van ontvangst om te bepalen of de werkzaamheden op hun grondgebied als een dienst worden beschouwd. Dat kan ertoe leiden dat zeer korte werkzaamheden, zelfs zakelijke reizen, al als een dienst worden gezien waardoor er extra arbeidsvoorwaarden van het werkland moeten worden toegepast.
Lees meer over de gewijzigde detacheringsrichtlijn die geldt sinds 31 juli 2020

In een zaak over transportarbeid over de weg gaat het Hof van Justitie in op de vraag wanneer er geen sprake is van een nauwe band, dus wanneer er geen sprake is van detachering. Nu is het aan de Nederlandse Hoge Raad om dit in de onderliggende zaak te beoordelen.

De vragen aan het Hof van Justitie
De Hoge Raad heeft aan het Europese Hof van Justitie gevraagd of de Detacheringsrichtlijn wel van toepassing is op het internationaal transport over de weg. Moeten we internationale chauffeurs beschouwen als gedetacheerde werknemers in de zin van de Detacheringsrichtlijn? In deze zaak gaat het om chauffeurs die met hun vrachtwagen voor een Nederlands transportbedrijf vervoerswerkzaamheden verrichten in Europa. Moet dan ook worden onderzocht of er sprake is van een voldoende band met het werkland? En wanneer is dit het geval als de chauffeurs steeds ergens anders werken?

De feiten
Een Nederlands transportbedrijf heeft twee gelieerde bedrijven in Duitsland en Hongarije. Vakbond FNV wil het Nederlandse transportbedrijf verplichten om bij het uitbesteden van werkzaamheden aan de buitenlandse bedrijven de Nederlandse arbeidsvoorwaarden uit de cao voor goederenvervoer, respectievelijk beroepsgoederenvervoer, op te leggen. Dat wil de vakbond doen door naleving te vorderen van de zogenoemde charterbepaling in de cao. Deze bepaling luidt: ‘De werkgever is gehouden in overeenkomsten van onderaanneming, die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd, met zelfstandige ondernemers, die als werkgever optreden, te bedingen dat aan diens werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao zullen worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn, ook indien gekozen is voor het recht van een ander land dan Nederland’. De basisarbeidsvoorwaarden betreffen onder andere het cao-loon, vakantiedagen en arbeidstijden.

Het Nederlandse transportbedrijf heeft met het Duitse en Hongaarse bedrijf charterovereenkomsten voor internationale transporten gesloten. Werknemers uit Duitsland en Hongarije die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden aan respectievelijk het Duitse en Hongaarse bedrijf zijn in het kader van die charterovereenkomsten werkzaam als chauffeur. Daarbij wordt het Duitse, respectievelijk Hongaarse loon betaald. De Nederlandse cao wordt niet toegepast. Doorgaans vindt het chartervervoer in de periode die hier aan de orde is plaats vanuit Nederland en eindigen de ritten aldaar. Het op basis van de betreffende charterovereenkomsten verrichte vervoer vindt echter meer plaats buiten het grondgebied van Nederland.

Het arrest
Het Hof geeft aan dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op het internationaal transport over de weg. Zijn de internationale chauffeurs dan ook gedetacheerde werknemers in de zin van de detacheringsrichtlijn? Oftewel, vertoont het werk dat de werknemer verricht een voldoende nauwe band met het grondgebied waarop hij werkt?

Het Hof wijst erop dat dit moet blijken uit de kenmerken van de dienstverrichting waarvoor de werknemer in kwestie wordt ingezet. Ook de aard van de werkzaamheden is een relevante factor bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijke band. Voor mobiele werknemers – zoals chauffeurs in het internationaal vervoer – is ook van belang hoeveel de werkzaamheden verband houden met het grondgebied van elke betrokken lidstaat en het aandeel van die werkzaamheden in het vervoer als geheel. Daarbij zijn het laden of lossen van goederen, het onderhouden of het schoonmaken van voertuigen relevant, mits zij daadwerkelijk worden verricht door de betrokken chauffeur en niet door derden.

Als een werknemer zeer beperkte diensten verricht, kan hij niet worden beschouwd als ’ter beschikking gesteld’ in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Dan gaat het bijvoorbeeld om een chauffeur die slechts op doorreis is op het grondgebied van een lidstaat. Hetzelfde geldt voor een chauffeur die alleen grensoverschrijdend vervoer verricht vanuit de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming naar het grondgebied van een andere lidstaat of omgekeerd. Dat een chauffeur door een onderneming ter beschikking is gesteld aan een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, dat hij de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, en die opdrachten begint of beëindigt op het hoofdkantoor van die tweede onderneming, is daarbij op zich onvoldoende, als het werk dat die chauffeur verricht op basis van andere factoren geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied.

Het Hof geeft dus aan dat de vraag of er sprake is van een voldoende band wordt bepaald op basis van een algehele beoordeling van factoren, zoals de aard van de werkzaamheden die de betrokken werknemer op dat grondgebied verricht, de mate waarin de werkzaamheden van die werknemer verband houden met het grondgebied van elke lidstaat waar hij werkzaam is en het aandeel van die werkzaamheden op het grondgebied van elke lidstaat in de vervoersdienst als geheel.

Hoe gaat de Hoge Raad oordelen?
De Hoge Raad wordt door het Hof van Justitie aan het werk gezet. De Hoge Raad zal moeten beoordelen of er wel of niet sprake is van een nauwe band met Nederland. In dat kader heeft de Advocaat-Generaal in zijn conclusie nogmaals de relevante feiten belicht en daarover het volgende vastgesteld:
Onderscheid tussen arbeidsperiode en ritten: het vervoer van de betrokken chauffeurs van Hongarije naar Nederland is m.i. geen onderdeel van hun werkzaamheden. Een gewerkte periode van gemiddeld drie weken begint op een fysieke opstapplaats en eindigt op een fysieke afstapplaats, hetgeen wordt aangeduid als wisselplaatsen. Het hof heeft vastgesteld, dat “het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Nederland plaatsvond en de ritten doorgaans in Nederland eindigden.” Relevant is dat tijdens de arbeidsperiode van drie weken tal van internationale ritten worden uitgevoerd. Met betrekking tot die ritten heeft het hof vastgesteld, dat die “in meer dan overwegende mate buiten Nederland plaatsvinden en slechts voor een gering deel op Nederlands grondgebied”.
Deze feiten duiden niet op de aanwezigheid van een nauwe band.

Commentaar AWVN
De FNV wil met de charterbepaling bereiken dat de Nederlandse cao binnen de EU altijd van toepassing is, als in of vanuit Nederland werkzaamheden worden verricht, ongeacht de hoeveelheid werk in andere EU-landen.

Dit arrest maakt duidelijk dat je niet kunt spreken van een gedetacheerde werknemer, als een chauffeur vanuit Polen, via Duitsland, Luxemburg en Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk rijdt. De lidstaten waar hij rijdt, kunnen dan niet zeggen dat hun AVV-cao voor dat traject in de desbetreffende lidstaat moet worden toegepast. Ook bij geringe werkzaamheden op het Nederlands grondgebied is geen sprake van een gedetacheerde werknemer in de zin van de detacheringsrichtlijn.

Het is uiteindelijk aan de Hoge Raad of de Nederlandse cao-bepalingen kunnen worden opgelegd aan de buitenlandse werkgever. Als de Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van een nauwe band met het Nederlands grondgebied, is er geen sprake van detachering in de zin van de detacheringsrichtlijn. De Nederlandse voorwaarden kunnen dan niet gelden voor een buitenlandse werkgever.
Een bijkomend aspect van dit arrest kan zijn dat, in het verlengde van de detacheringsrichtlijn, de handhavingsrichtlijn niet van toepassing is bij het ontbreken van een nauwe band met Nederland. Dat zou in ieder geval aan de orde kunnen zijn bij de verplichting voor transportbedrijven om te notificeren als enkel in Nederland wordt geladen of gelost.

0 reacties