Home / roosters en werktijden / De strijd van de nachtuil
donderdag 19 november 2020

De strijd van de nachtuil

In dit tweede deel van het drieluik over de reis die medewerkers gedurende hun werkzame leven in ploegendienst maken, staan we stil bij de avondmensen of late chronotypes. Dit zijn mensen die bij voorkeur na middernacht naar bed gaan en niet voor 9 uur opstaan.

Deze blog maakt deel uit van een drieluik over de reis van medewerkers tijdens hun werkzame leven in ploegendienst. Dit gebeurt aan de hand van wetenschappelijke inzichten en onderzoeken van ShiftPlan zelf onder medewerkers in ploegendienst.

In elk deel wordt een specifieke groep uitgelicht en nader geanalyseerd op de effecten van het werken op afwijkende tijden. Speciale aandacht gaat uit naar de fysieke fitheid en geschiktheid voor het werken in ploegen.

Tweede deel: avondmensen, of late chronotypes.
In het eerste deel stonden ochtendmensen, of vroege chronotypes centraal.

Onze maatschappij is er van jongs af aan op gericht om al vroeg op de dag actief te zijn. Dat heeft negatieve gevolgen voor de natuurlijke slaapbehoefte van avondmensen. Als gevolg hiervan hebben zij vaak met een jetlaggevoel te maken. Om dit te overwinnen zijn zij, meer dan anderen, geneigd om te roken en alcohol te drinken (1). Het is niet verrassend dat de meerderheid van hen negatief tegen de factor tijd aankijkt en meent dat de tijd snel voorbijgaat (2).

Voor deze kenmerken ligt, net als bij de vroege types het geval was, een gedeeltelijke verklaring in de eigen biologische klok. Bij late types beslaat het natuurlijke slaap-waakritme meer dan 24 uur. Het betekent letterlijk dat zij elke dag tijd te kort te komen (3).

Deze mismatch met de wereldse tijd zorgt ervoor dat zij moeite hebben met de gangbare tijdsinrichting in onze maatschappij. Daarbij ervaren zij meer problemen om taken op tijd af te kunnen krijgen. Als er op een later tijdstip op de dag prestaties van hen worden verwacht, komen zij echter als beste naar voren (4). Een voordeel van hun late ritme is bovendien dat zij beter met het werken in de nacht om kunnen gaan. Zij zijn niet ongevoelig voor slaperigheid, maar dit vindt op een later tijdstip in de nacht plaats (5).

De onverwachte comeback
Het natuurlijke slaapritme van het late type zit een gelukkige relatie met het werken in dagdienst in de weg. Gemiddeld komt hij of zij tijdens werkdagen niet toe aan voldoende slaap. In hun vrije tijd compenseren zij dit door extra lang te slapen. De slaapduur kan dan makkelijk meer dan 8,5 uur bedragen. Het maakt inzichtelijk wat de gevolgen voor het late type zien wanneer hij zijn eigen ritme niet kan volgen (6). Doordat zijn natuurlijke ritme niet overeenkomt met een normaal etmaal (24 uur), heeft het late type minder moeite zich aan een ander ritme aan te passen. Die verschuiving moet dan wel voorwaarts in de tijd te zijn, zoals op de klok gebeurt bij het vliegen van oost naar west.

In de gegevens uit onze eigen onderzoeken (7) zijn vier op de tien medewerkers avondmensen. Hun aandeel neemt van meer dan de helft in de leeftijdscategorie tussen 20 en 29 jaar met de jaren gestaag af tot een aandeel van 30% in de leeftijdscategorie tussen 50 en 59 jaar. Deze ontwikkeling volgt de algemene trend in de bevolking waarbij veel mensen bij het ouder worden een steeds vroeger chronotype worden. Als gevolg hiervan neemt het aantal avondmensen met het stijgen van de leeftijd af (8). In mijn gegevens neemt hun aandeel in de leeftijdscategorie van 60 jaar en ouder echter weer toe en beslaan daarin de meerderheid.

The morning challenge
Door zijn fysieke aanleg om met de nachtdienst en wisselingen in ritme om te kunnen gaan, lijkt de avondmens uitermate geschikt voor de ploegendienst. Over alle diensten gekeken, slaapt het late type met 6,8 uur gemiddeld echter maar 0,3 uur meer dan het vroege chronotype. En deze is van alle chronotypes het minst voor de ploegendienst geschikt. Deze uitkomst ligt daarbij onder de gemiddelde slaapbehoefte (7 tot 9 uur) en de -lengte die medewerkers in de dagdienst slapen (7,5 uur). De grootste hindernis vormt het vroege tijdstip van de ochtenddienst. Rondom de middagdiensten lukt het hen om gemiddeld 7,7 uur te slapen en zelfs rondom de nachtdiensten ligt het gemiddelde nog op 6,5 uur. Voorafgaand aan de ochtenddienst lukt hen echter niet meer dan gemiddeld 6,1 uur te slapen. Het gevolg van deze korte rust is dat de fitheid tijdens de ochtenddienst bijna op een onvoldoende uit (5,6). En dat valt zeker op in vergelijking met de middag- (7,8) en de nachtdienst (6,4).

Een nadere analyse leert dat de uitdaging om voorafgaand aan de ochtenddienst te slapen, met de jaren iets gemakkelijker wordt. Late chronotypes die minstens 20 jaar in ploegendienst hebben gewerkt, slapen met 6,3 uur gemiddeld 0,4 uur meer dan diegenen met minder ploegenjaren. Daar staat tegenover dat de meer ervaren medewerkers rond de nachtdienst gemiddeld 0,8 uur minder slapen (6,1 uur) dan de minder ervaren groep (6,9 uur). Zij zijn dan ook negatiever over hun fitheid in de nachtdienst (6,1) dan de medewerkers met minder ploegenjaren (6,8). In de ochtenddienst is het beeld precies omgekeerd. De groep met minstens 20 jaar in ploegendienst ervaart de fitheid als voldoende (6,0) en de andere groep als onvoldoende (5,2).

Snel roteren
De resultaten laten zien dat de mogelijkheden van avondmensen in de loop der tijd verschuiven. Zij worden iets beter bestand tegen het werken in de ochtend en iets minder tegen het werken in de nacht. De gemiddeld lage score in slaapuren en fitheid, doet menig laat chronotype twijfelen over zijn eigen houdbaarheid in de ploegendienst. Drie van de tien geven aan dat het lastig is in het huidige rooster vitaal te blijven. Een oplossing kan zijn om medewerkers meer zeggenschap over het rooster te geven. Iets minder dan de helft van de late chronotypes voelt hiervoor. Een andere gedachte om het werken in ploegendienst vol te houden is door dit in deeltijd te doen. Tegenover dit idee staat iets meer dan de helft van hen positief.

Omdat zeggenschap over het rooster of werken in deeltijd niet overal even eenvoudig met de ploegendienst te combineren valt, kan ook naar de rotatiesnelheid worden gekeken. De resultaten uit mijn onderzoeken laten zien dat late chronotypes die in nachtdiensten moeten werken, beter af zijn met een snelle rotatie. Dit betekent dat ze niet meer dan twee dezelfde diensten achter elkaar werken waarbij na de ochtend- en de middag- tot slot de nachtdienst komt. Late chronotypes in een rooster met een snelle rotatie zijn een stuk positiever over hun fitheid in de nachtdienst (7,2) dan late chronotypes in een langzame rotatie (6,3).

Survivors van het laatste uur
Avondmensen vormen de grootste groep van medewerkers die in ploegendienst werken. Hun teruglopende aandeel in de leeftijdscategorieën van 20 tot 60 jaar heeft niet zo zeer met afhaken uit de ploegendienst als wel met veranderingen in de biologische klok te maken. Met het ouder worden verschuiven veel avondmensen op naar een vroeger chronotype. De meerderheid die avondmensen in de categorie van 60 jaar en ouder vormen, heeft te maken met het afhaken van de andere chronotypes. Tegelijkertijd blijken zij ook aan fitheid met de jaren niets in te boeken. Onderliggend vindt er wel een verschuiving plaats. Oudere late types kunnen beter tegen ochtenddiensten en minder tegen nachtdiensten dan de jongere. Het beste recept om hen in de nachtdienst fit te houden is door de reeksen zo kort mogelijk te maken. Voor de jongere late types geldt dat zij het meest gebaat zijn bij het vermijden van de ochtenddienst. Het zou mooi zijn als ze daarmee op school al konden starten.

Peter Hagesteijn
specialist op het gebied van arbeidstijdmanagement,
werkzaam voor Shiftplan.

 

Noten
(1) Wittmann, M. e.a.; Decreased psychological well-being in late ‘chronotypes’ is mediated by smoking and alcohol consumption; 2010
(2) Pruszczak, D. e.a., Chronotype and time metaphors: morning-types conceive time as more friendly and less hostile; 2018
(3) Kalmbach, D.A.; Genetic basis of chronotype in humans: insights from three landmark GWAS; 2017
(4) Roden, L.C. e.a.; Impact of chronotype on athletic performance: current perspectives; 2017
(5) Kontrymowicz-Ogińska, H.; Chronotype – Behavioural aspects, personality correlates, health consequences; 2012
(6) Juda, M.; The importance of chronotype in shift work research; 2010
(7) Gebaseerd op de uitkomsten van vragenlijsten onder 240 medewerkers in 5 verschillende industriële organisaties, werkzaam in 2-, 3- en 5-ploegendienstroosters
(8) Fischer, D. e.a.; Chronotypes in the US – Influence of age and sex; 2017

0 reacties