Home / roosters en werktijden / Trektocht van vroege vogels
dinsdag 20 oktober 2020

Trektocht van vroege vogels

Blog over werken in ploegendiensten en verschillende soorten menstypen. Deze eerste keer: vroege chronotypen – zogeheten ochtendmensen. Die ondervinden de meeste hinder van werken in ploegendiensten, vooral met nachtdiensten.

Deze blog maakt deel uit van een drieluik over de reis van medewerkers tijdens hun werkzame leven in ploegendienst. Dit gebeurt aan de hand van wetenschappelijke inzichten en onderzoeken van ShiftPlan zelf onder medewerkers in ploegendienst.

In elk deel wordt een specifieke groep uitgelicht en nader geanalyseerd op de effecten van het werken op afwijkende tijden. Speciale aandacht gaat uit naar de fysieke fitheid en geschiktheid voor het werken in ploegen.

Eerste deel: ochtendmensen, of vroege chronotypes.

Ochtendmensen of vroege chronotypen zijn mensen die zich het beste voelen wanneer zij vóór middernacht naar bed gaan en ’s ochtends het liefst vóór 8 uur opstaan. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat ochtendmensen over het algemeen hoog scoren op pro-activiteit, zorgvuldigheid en stabiliteit (1).
Een verklaring voor deze persoonskenmerken ligt deels in de fysieke aanleg van ochtendmensen. Ieder mens beschikt over een interne biologische klok die, los van de wereldse tijd, zijn eigen ritme (etmaal) volgt. Omdat het interne ritme bij vroege chronotypes 24 uur is, en bij zeer vroege types zelfs iets minder, hebben zij geen problemen om aan te sluiten bij het ritme van de dag en nacht, licht en donker (2). Het kost hen geen moeite om bij het ochtendwaken op te staan en zij kunnen al vroeg op de dag pieken, zoals experimenten met atleten hebben aangetoond (3). Een marathon die om 6:00 uur begint, zal veel vroege chronotypes hoog in het klassement zien eindigen. Het valt te verwachten dat als dezelfde marathon om 12:00 uur zou beginnen, de uitslag er ingrijpend anders uit zou komen te zien.

Een slinkende populatie

Door z’n natuurlijke slaap-waakritme is het niet verrassend dat het vroege type met werken in de dagdienst in principe weinig moeite heeft. Gemiddeld komt hij of zij tijdens werkdagen elke nacht aan 7,5 uur tot 8 uur slaap. De ware uitdaging schuilt in de vrije tijd. Op die dagen is het vroege type geneigd op een later tijdstip te gaan slapen, in een poging zich aan te passen aan het sociale ritme van anderen. Het probleem is echter dat hij of zij vervolgens op dezelfde tijd wakker wordt als op werkdagen en hierdoor slaap tekort komt (4). Dit laat zien dat de biologische klok van het vroege type moeite heeft zich aan te passen als het slaapritme wordt verschoven. En laat dit een kenmerk zijn dat onlosmakelijk met de ploegendienst is verbonden.

Uit gegevens van onze eigen onderzoeken (5) blijkt dat de ochtendmensen één derde van de populatie uitmaken. Per leeftijdscategorie neemt hun aandeel geleidelijk toe, van één op de vijf tussen 20 en 29 jaar tot circa de helft tussen 40 en 49 jaar. Vanaf de leeftijd van 50 jaar zet zich echter een daling in waarbij hun aandeel rap terugloopt naar één op de vier in de categorie van 60 jaar en ouder. Dit is verrassend omdat het tegen de algemene trend van de bevolking ingaat. Voor veel mensen geldt namelijk dat zij gedurende hun leven een steeds vroeger chronotype worden. Als gevolg hiervan neemt ook het percentage ochtendmensen met het stijgen van de leeftijd toe (6).

The night challenge

Van alle groepen uit het drieluik ondervindt de ochtendmens de meeste hinder van het werken in de ploegendienst. Lukt het hem of haar rond de ochtenddiensten nog om aan gemiddeld 6,8 uur en rond de middagdiensten aan gemiddeld 7,2 uur slaap te komen, rond de nachtdiensten ligt het gemiddelde op 5,5 uur slaap. Ter vergelijking: een volwassen mens heeft gemiddeld 7 tot 9 uur slaap nodig en de gemiddelde medewerker in dagdienst slaapt doordeweeks gemiddeld 7,5 uur per nacht. Een ochtendmens slaapt volgens de gegevens uit onze onderzoeken met 6,5 uur gemiddeld een uur minder. Het gevolg van de inkorting van z’n slaap is dat het vroege type zich niet altijd fit voelt. Want terwijl het oordeel tijdens de ochtenddienst (6,9) en middagdienst (7,1) ruim voldoende is, slaat de nachtdienst in het rood uit (4,9).

Een nadere analyse leert dat de strijd om rond de nachtdienst fit te blijven voor een ochtendmens met de jaren moeilijker wordt. Daar waar de gemiddelde slaaptijd in de andere diensten met 7 uur gelijk blijft, slaapt de groep die tenminste 20 jaar in ploegendienst heeft gewerkt ruim een half uur minder (5,2) dan de groep met minder jaren op de teller (5,8). En hoewel het aantal slaapuren op hetzelfde niveau ligt, voelt de groep die minimaal 20 jaar in de ploegendienst heeft gewerkt zich een stuk minder fit (6,6) dan de groep met minder ploegendienstjaren (7,2).

Zorgen over de toekomst

De resultaten rond de nachtdiensten laten zien dat vroege chronotypes moeite hebben hun slaap-waakritme om te draaien. In plaats van ’s nachts moeten zij op die dagen overdag kunnen slapen. Dit heeft ingrijpende gevolgen voor hun houdbaarheid in de ploegendienst en de vroege types zijn zich daar zelf ook van bewust. Zij maken zich zorgen over de toekomst. Vier van de tien geven aan dat het lastig is in het huidige rooster vitaal te blijven. Een oplossing kan zijn om medewerkers meer zeggenschap over het rooster te geven. Bij de helft van de ochtendmensen is hiervoor draagvlak. Een andere gedachte om het werken in ploegendienst vol te houden is door dit in deeltijd te doen. Tegenover het idee van nu of later in deeltijd werken, staan twee op de drie vroege chronotypes positief.

Omdat zeggenschap over het rooster of werken in deeltijd niet overal even eenvoudig met de ploegendienst te combineren valt, kan ook naar de rotatiesnelheid worden gekeken. De resultaten uit onze eigen onderzoeken laten zien dat vroege chronotypes die in nachtdiensten moeten werken, beter af zijn met een snelle rotatie. Dit betekent dat ze niet meer dan twee dezelfde diensten achter elkaar werken waarbij na de ochtend- en de middag- tot slot de nachtdienst komt. Vroege types in een rooster met een snelle rotatie zijn veel positiever over hun fitheid (6,9) dan vroege types in een rooster met een langzame rotatie (6,3). Rond de nachtdiensten ligt deze zelfs 0,7 punt hoger, al blijft hij wel onvoldoende (5,5).

Verborgen potentieel

Ochtendmensen vormen een groot gedeelte van de populatie die in ploegendiensten werkt. Hun afnemende aandeel in de leeftijdscategorie van 50 jaar en ouder doet vermoeden dat velen van hen afhaken. Het werken in de nachtdienst is voor deze groep lastig en wordt nog zwaarder als men meer jaren in ploegendienst heeft gewerkt.
Uitstroom uit de ploegendienst kan positief zijn, maar de vraag is of hierdoor niet onnodig potentieel verloren gaat. De moeite met de nachtdienst overschaduwt dit soms het feit dat vroege types zeer goed tegen het werken in de ochtenddienst bestand zijn. Zij zijn in staat om ondanks het vroege tijdstip zo’n 7 uur te slapen waardoor zij ruim voldoende fit op het werk verschijnen. En ook als zij meer ochtenddiensten achter elkaar moeten werken, valt hun fitheid nauwelijks terug. Het maakt hen uitermate geschikt dit gedeelte van het etmaal af te dekken en op die manier de anderen aan te vullen. Zeker in die omgevingen waar de werkdruk overdag hoger ligt dan in de nacht.

Peter Hagesteijn
specialist op het gebied van arbeidstijdmanagement,
werkzaam voor Shiftplan.

 

Noten
(1) Randler, C.; Proactive people are morning people; 2009
(2) Kalmbach, D.A.; Genetic basis of chronotype in humans: insights from three landmark GWAS; 2017
(3) Roden, L.C. e.a.; Impact of chronotype on athletic performance: current perspectives; 2017
(4) Juda, M.; The importance of chronotype in shift work research; 2010
(5) Gebaseerd op de uitkomsten van vragenlijsten onder 240 medewerkers in 5 verschillende industriële organisaties, werkzaam in 2-, 3- en 5-ploegendienstroosters.
(6) Fischer, D. e.a.; Chronotypes in the US – Influence of age and sex; 2017

1 reactie