Logo AWVN
28 april 2026

Misbruik uitzendovereenkomst bestraft met vast contract

Op 17 april heeft de kantonrechter in Den Haag geoordeeld dat een uitzendkracht die zeven jaar werkzaam was bij de distributiecentra van AH als vaste kracht van AH moet worden aangemerkt.

 

Dit vloeit volgens de rechter voort uit het misbruik dat gemaakt is van de uitzendovereenkomst: die duurde langer duurde redelijkerwijs als tijdelijk is aan te merken, waarvoor geen objectieve verklaring is gegeven.

Misbruik 

De rechter past in deze zaak de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Upfield van 21 november 2025 toe. Eerst moet dan vastgesteld worden of er daadwerkelijk sprake kan zijn van omzeiling van de bepalingen van de Uitzendrichtlijn door het gebruik van opeenvolgende opdrachten. Uitzendarbeid mag namelijk op grond van de Uitzendrichtlijn geen permanente situatie worden, omdat de arbeidsverhouding tussen uitzendkracht, uitzendbureau en inlener naar haar aard tijdelijk behoort te zijn. De kantonrechter oordeelt in deze zaak dat een periode van zeven jaar in beginsel niet meer als tijdelijk kan worden aangemerkt.

Rechtvaardiging

Dit kan alleen anders zijn als er aanvullende omstandigheden zijn die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarbij kijkt de rechter naar sectorspecifieke kenmerken. Het feit dat de supermarkt- en logistieke sector in hoge mate afhankelijk is van terbeschikkingstelling van arbeidsmigranten in het kader van uitzendwerk, verklaart echter volgens de kantonrechter niet waarom dan een periode van zeven jaar en vier  maanden nog als tijdelijk zou moeten worden aangemerkt. Ook uit de context van de nationale regelgeving of het personeelstekort in Nederland, blijkt dit volgens de rechter niet.

Sanctie

Hoewel geen sprake van een schijnconstructie (want er is een sprake van een uitzendovereenkomst) heeft AH volgens de rechter de consequenties van het aangaan van een vaste arbeidsrelatie omzeild door de lange, niet meer als tijdelijk te beschouwen duur van de arbeidsovereenkomst.

De vraag is dan wat hiervan de gevolgen zijn, nu in de wet de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst (nog) niet is vastgelegd. Hoewel in de Hoge Raad in het arrest ABN AMRO/Malhi uit 2002 heeft aangegeven dat het in strijd met de rechtszekerheid is om een inleenverhouding geruisloos te vervangen met een arbeidsovereenkomst, meent de kantonrechter dat uit latere rechtspraak ook andere conclusies getrokken kunnen worden. In die rechtspraak worden overeenkomsten van opdracht ook als arbeidsovereenkomst aangemerkt. Bovendien heeft de minister in een Kamerbrief aangekondigd in de wet de tijdelijkheid te gaan waarborgen met een termijn van 36 maanden.

Omdat de kantonrechter hierop niet meent te kunnen wachten en een beslissing moet nemen, wordt de beoogde bescherming van de uitzendkracht door de Uitzendrichtlijn meer waarde toegedicht dan de contractsvrijheid van AH. Tussen AH en de uitzendkracht wordt dan ook geacht na 36 maanden – in aansluiting op de huidige ketenregeling en het toekomstige wetsvoorstel – een arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan, met alle gevolgen van dien.

Conclusie

Sinds de uitspraak van de Hoge Raad in Upfield wordt volop gespeculeerd over wat het gevolg zou moeten zijn wanneer de conclusie is dat er geen sprake meer is van de tijdelijkheid van een uitzendovereenkomst bij eenzelfde inlener. Daar heeft de Hoge Raad immers geen uitspraak in Upfield over gedaan, en is nu aan het Hof waarnaar is terugverwezen.

Dat betekent dat nu niet de conclusie getrokken kan worden dat er bij elke langdurige uitzending bij eenzelfde inlener ineens sprake is van een arbeidsovereenkomst. Eerst moet immers vastgesteld worden dat er sprake is van misbruik van de uitzendovereenkomst en dat er geen rechtvaardiginggronden zijn voor het gebruik. Als dan tot misbruik geconcludeerd wordt, zou dit een sanctie kunnen zijn. Daar is echter door een hogere rechter noch het ministerie van Sociale Zaken in verband met de nieuwe wetgeving, uitspraak over gedaan – terwijl de Hoge Raad in 2002 zich in verband met de rechtszekerheid tegen conversie in een arbeidsovereenkomst uitsprak.
De vraag is dus wat er met de uitspraak van deze rechter gaat gebeuren en of partijen in hoger beroep zullen gaan.

Deel dit artikel via: