Home / Algemeen verbindend verklaren (avv)

Algemeen verbindend verklaren (avv)

Logo AWVN-werkgeverslijn
Partijen betrokken bij de totstandkoming van een bedrijfstakcao kunnen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzoeken de bepalingen van de overeengekomen bedrijfstakcao algemeen verbindend te verklaren (avv) voor alle werkgevers respectievelijk werknemers in de bedrijfstak. Daartoe dient aan bepaalde organisatorische en inhoudelijke voorwaarden te zijn voldaan. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in het door de minister vastgestelde zogenoemde Toetsingskader avv.

De representativiteit wordt gemeten door de verhouding te nemen tussen enerzijds het totale aantal werknemers in dienst bij de werkgevers in de bedrijfstak, en anderzijds het totale aantal werkgevers en hun werknemers in de bedrijfstak. Als deze verhouding 60 procent of meer bedraagt, is er sprake van een voldoende representativiteit (“een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen”, volgens de Wet AVV).

De Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van CAO’s (de Wet AVV) is in 1937 tot stand gekomen. Met deze wet wilde de overheid het instrument van de cao stimuleren en ondersteunen.
De wet geeft de minister van SZW de bevoegdheid om op verzoek van een of meer van de cao-partijen die voor een bedrijfstak een cao hebben afgesloten, de cao-bepalingen die daarvoor in aanmerking komen, ook dwingend van toepassing te verklaren op werknemers (en werkgevers) in die bedrijfstak die niet betrokken waren bij de totstandkoming van die cao.

Bij de beoordeling van de representativiteit van cao-partijen speelt daarom de omvang van het (relatieve) ledental van de desbetreffende vakorganisatie(s) in de bedrijfstak geen rol: relevant is het aantal werknemers (georganiseerd en niet-georganiseerd) dat in dienst is bij de werkgevers die aan de cao gebonden zijn.

Niet alle bepalingen die sociale partners in een cao overeengekomen zijn, komen in aanmerking voor avv. Voorbeelden van (typen) bepalingen die niet algemeen verbindend worden verklaard door de minister, zijn:
• eventuele bepalingen die dwang uitoefenen op werkgevers of werknemers zich aan te sluiten bij een vakbond of werkgeversorganisatie
• bepaling die tot een ongelijke behandeling van georganiseerden en ongeorganiseerden leiden
• bepalingen die de relatie regelen tussen cao-partijen onderling (de zogenoemde obligatoire bepalingen)
• bepalingen die strijdig zijn met het recht of het algemeen belang
• bepalingen die leiden tot een te grote benadeling van de rechtmatige belangen van derden.

Tegen verzoeken tot avv kunnen belanghebbenden bedenkingen aanvoeren. In de praktijk heeft het overgrote deel van de bedenkingen betrekking op:
• de (betwijfelde) representativiteit
• de werkingssfeer van de cao
• de inhoud van de cao.
In geval er bedenkingen worden aangevoerd tegen de werkingssfeer van een cao, vraagt de minister van SZW de Stichting van de Arbeid advies tenzij op voorhand duidelijk is dat aan deze bedenkingen niet tegemoet kan worden gekomen.

In geval er twijfel bestaat over de representativiteit is het een bestendige gedragslijn van de Inspectie SZW om cao-partijen te vragen gegevens terzake over te leggen op basis van een desbetreffende accountantsverklaring. Aan de hand daarvan beoordeelt de Inspectie SZW of er al dan niet sprake is van een voldoende representativiteit.

Het bepalen van de werkingssfeer van een cao, d.w.z. het bepalen welke ondernemingen onder de cao vallen, behoort tot de verantwoordelijkheid van de desbetreffende cao-partijen.
Bedenkingen tegen de werkingssfeer van een cao worden altijd door de inspectie gehonoreerd wanneer de werkgever(s) die de bedenkingen aanvoert/aanvoeren, gebonden zijn aan een eigen rechtsgeldige cao.
Het komt ook voor dat een wijziging van de werkingssfeer leidt tot een overlapping van die werkingssfeer met die van een andere cao die is algemeen verbindend verklaard. Partijen bij die laatste cao zullen dan bedenkingen aanvoeren tegen avv van die andere cao. De gedragslijn van de minister in dergelijke situaties is dat deze alle betrokkenen oproept om tot een gezamenlijke oplossing te komen. In geval dat niet lukt, kan de minister de cao wel algemeen verbindend verklaren met uitzondering van het ‘gebied’ van de overlapping. Uiteindelijk is het de verantwoordelijkheid van de desbetreffende cao-partijen om tot een adequate en niet overlappende omschrijving van de werkingssfeer te komen.

Bedenkingen tegen de inhoud van een cao zijn voor de minister als zodanig geen reden om avv te weigeren. De inhoud van de cao behoort tot de verantwoordelijkheid van cao-partijen die (bij voldoende representativiteit) geacht worden het belang van de bedrijfstak in hun afspraken mee te wegen.
Bovendien is avv juist bedoeld om geen verschil in arbeidsvoorwaarden te laten ontstaan tussen werknemers in de bedrijfstak en daarmee een verschil in concurrentiepositie tussen de werkgevers.
Ook het bezwaar dat men zelf niet rechtstreeks betrokken is (geweest) bij de totstandkoming van de cao vormt voor de minister geen reden om avv te weigeren. Er bestaat immers de mogelijkheid om via het lidmaatschap van een werkgevers- of werknemersorganisatie wel rechtstreeks invloed uit te oefenen op de (inhoud van de) cao dan wel eventueel een eigen rechtsgeldige cao af te sluiten.

Bedrijfstakregelingen waarin pensioenafspraken zijn vastgelegd, kunnen ook verplicht worden opgelegd. Dit gebeurt evenwel niet op grond van de Wet AVV, maar op grond van de Wet verplichtstelling bedrijfspensioenfondsen.

Een reguliere arbeidsvoorwaarden-cao kan maximaal voor een periode van 2 jaar algemeen verbindend worden verklaard.

MW, 250118