In Nederland heeft iedereen recht op een basispensioen: de AOW-uitkering. Daarmee is er een inkomen als iemand stopt met werken op de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast bouwen de meeste werknemers via hun werkgever extra pensioen op. Dat noemen we de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Juist in deze tweede pijler gaan de regels de komende jaren ingrijpend veranderen.
Kort samengevat
• Opbouw pensioen wordt opbouw pensioenkapitaal.
• Leeftijdsafhankelijke premie wordt leeftijdsonafhankelijke premie in een solidair of flexibel contract.
• Opgebouwde pensioenen worden omgezet in pensioenkapitalen (invaren).
• Nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum kan alleen op risicobasis en is diensttijdonafhankelijk.

De samenleving verandert in hoog tempo. Dat is de belangrijkste reden om kritisch te kijken naar het huidige pensioenstelsel. De economie, arbeidsmarkt en demografie zien er vandaag heel anders uit dan in de jaren vijftig, toen ons pensioenstelsel werd ontworpen.
Het huidige stelsel is grotendeels gebaseerd op garanties, maar die zijn de afgelopen jaren steeds duurder geworden. Tegelijkertijd staat de systematiek onder druk: het is jarenlang niet gelukt om pensioenen waardevast te houden. De prijs-kwaliteitverhouding is daardoor uit balans geraakt. Daar komt bij dat mensen vaker van baan wisselen of als zelfstandige gaan werken. De kans dat iemand daardoor te weinig pensioen opbouwt, neemt toe. Ook zijn er steeds minder werkenden ten opzichte van gepensioneerden, waardoor de solidariteit in het stelsel onder druk komt te staan. Al geruime tijd werd daarom gezocht naar een pensioenstelsel dat beter aansluit bij deze veranderingen.
In 2019 sloot het kabinet samen met werkgevers- en werknemersorganisaties het Pensioenakkoord. Daarin zijn afspraken gemaakt over een nieuw pensioenstelsel dat beter past bij de samenleving van nu én bij toekomstige generaties. Het uitgangspunt is dat iedereen in Nederland een goed pensioen moet
De sterke punten blijven bestaan. We blijven sparen voor een levenslang pensioen en behouden de mogelijkheid voor het delen met elkaar van de risico’s van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Een gezamenlijke uitvoering van de pensioenregeling en het beleggingsbeleid blijft bestaan. Hiermee blijven de uitvoeringskosten beperkt. Ook blijft de verplichtstellingen bestaan.
We hebben de belangrijkste veranderingen voor u op een rij gezet:
Kortom: bij de nieuwe pensioenregels is de opbouw duidelijker. De pensioenuitkering kan sneller hoger worden als het goed gaat met de economie. Ook de generaties na ons blijven in de gelegenheid een goed pensioen op te bouwen.
De nieuwe Pensioenwet is op 1 juli 2023 in werking getreden. Betekent dit dat de arbeidsvoorwaarde pensioen direct aan de nieuwe wet moet voldoen? Nee, dat is niet het geval. Er is een transitieperiode afgesproken die loopt tot 1 januari 2028. In deze periode krijgen alle betrokken partijen — werkgevers, werknemers(vertegenwoordiging) en pensioenuitvoerders — de gelegenheid om de bestaande pensioenafspraken om te zetten naar de nieuwe systematiek.
Tot aan 1 januari 2028 moeten verschillende fasen worden doorlopen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de pensioenregeling is ondergebracht bij een verzekeraar of een PremiePensioeninstelling (PPI). Voor pensioenfondsen gelden andere wettelijke termijnen.
Per fase lichten we op hoofdlijnen toe wat er moet gebeuren en welke keuzes partijen kunnen maken om tijdig over te gaan naar het nieuwe pensioenstelsel.
De pensioenregeling is een arbeidsvoorwaarde en kan daarom niet eenzijdig door de werkgever worden aangepast. Sociale partners — werkgevers en werknemers(vertegenwoordiging) — moeten samen afspraken maken over de inhoud van de nieuwe pensioenregeling én over de transitie van de oude naar de nieuwe regeling.
De afspraken over premie, ambitie en doelstelling vormen de basis van de nieuwe pensioenregeling. Daarnaast moeten sociale partners een keuze maken voor het type contract: solidair of flexibel. Beide varianten zijn premieregelingen, maar verschillen in de mate van solidariteit en de manier waarop risico’s worden gedeeld.
Wanneer de contouren van een nieuwe pensioenregeling bekend zijn, moet in fase II gekeken worden welke uitvoering het beste past; een pensioenfonds, verzekeraar of PPI (PremiePensioenInstelling).
Voor iedere werkgever geldt dat het vertrekpunt anders zal zijn. Bij pensioenregelingen die reeds zijn ondergebracht bij een verzekeraar of een PPI maakt het vraagstuk ‘invaren’ geen deel uit van de te maken keuzes.
In de fasen I en II ligt de nadruk op het ontwerp van de nieuwe pensioenregeling en de voorbereiding van de transitie naar het nieuwe stelsel. Deze fasen worden afgesloten met een transitieplan, dat het arbeidsvoorwaardelijke proces, de besluitvorming en de formele instemmingsprocedures beschrijft en onderbouwt. Het transitieplan vormt de basis voor de geselecteerde pensioenuitvoerder die verantwoordelijk is voor de implementatie van de nieuwe regeling en de communicatie hierover met de betrokken partijen. Op basis van dit transitieplan stelt de uitvoerder een implementatieplan op. Dit plan wordt vervolgens ingediend bij De Nederlandsche Bank (DNB) ter goedkeuring.
Uiterlijk op 1 januari 2028 moeten alle drie de fasen van het transitieproces zijn afgerond. In het Pensioenakkoord is daarnaast vastgelegd dat er een compensatietermijn van tien jaar geldt. Een compensatie kan nodig zijn wanneer bepaalde leeftijdscohorten nadeel ondervinden van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.
Niets missen? Abonneer je op dit onderwerp en ontvang nieuwe artikelen automatisch in jouw persoonlijke overzicht!
Log in met de gebruikersnaam die je altijd gebruikt en die bij ons bekend is, maar met het wachtwoord van je bijbehorende werk- school- of privéaccount van Microsoft of Gmail