Krimpende beroepsbevolking: de mensen raken ‘op’

Eén van de verklaringen voor de personeelskrapte is dat de vijvers leeg raken. Dat wordt de komende jaren niet anders, want als gevolg van de vergrijzing blijft de beroepsbevolking krimpen. Hoe groot die krimp precies is – ergens tussen de twee en vijf procent, aldus het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut – wordt bepaald door de omvang van de arbeidsmigratie en de arbeidsdeelname.

Arbeidsmigratie is behoorlijk omstreden. Toch is een economie zonder arbeidsmigranten ondenkbaar. Van  softwareontwikkelaars tot bouwvakkers: ze houden onze economie draaiende, en dat zal in de toekomst niet anders zijn. Wel valt over de omvang en omgang te twisten.

Artikel uit de AWVN-jaarcongresbundel ‘Andere koek. Het beste bakken met wat je hebt’.
Download deze publicatie

Als het om arbeidsdeelname gaat, valt er een wereld te winnen. Vrouwen, ouderen en mensen met een migratieachtergrond werken relatief minder vaak en minder uren dan mannen met een Nederlandse achtergrond. Als deze kloven gedicht worden, al is het maar gedeeltelijk, dan zal de krimp van de beroepsbevolking volledig verdwijnen.

Waarom is een krimpende beroepsbevolking bedreigend? Allereerst omdat het een rem zet op de groei. Zonder het juiste personeel is het voor bedrijven lastig om hun productie en dienstverlening op peil te houden. Daarnaast zijn werkende mensen draagkrachtige consumenten. Wie een inkomen verdient met werk, heeft relatief veel te besteden en vormt daarmee dus een motor voor bedrijven in bijvoorbeeld de retail en horeca. Tot slot worden in Nederland sociale voorzieningen als zorg, sociale zekerheid en bijstand betaald uit premies en belastingen over loon.
Hoe minder werkende mensen, hoe groter de lasten op de schouders van werkenden. En dat terwijl de lasten tegelijkertijd toenemen vanwege het grotere beroep op de zorg en de AOW.

Hoe belangrijk arbeidsdeelname is, blijkt wel bij nadere bestudering van de recente economische ontwikkeling. De welvaartsgroei van de afgelopen decennia kun je vrijwel geheel op het conto van vrouwen en ouderen schrijven. De cijfers zijn spectaculair. Werkte in de jaren zeventig minder dan 40 procent van de vrouwen, inmiddels is dit 65 procent. Sinds het verhogen van de AOW-leeftijd is het aandeel 55- tot 65-jarigen dat werkt, gestegen van 41,5 procent in 2003 tot 67,7 procent in 2018. Van de oudere mannen werkt inmiddels meer dan driekwart. Maar helaas: op groei van het aantal mensen dat actief is op de arbeidsmarkt kunnen we de komende decennia niet rekenen.

De groei van ouderen en vrouwen heeft het plafond bereikt. De grote vraag voor de toekomst is dus: hoe benutten we de bestaande beroepsbevolking beter?