Home / Vakbondsleiders: vijf opmerkelijke opponenten

Vakbondsleiders: vijf opmerkelijke opponenten

Hele rijen vakbondsleiders dachten de afgelopen eeuw met werkgevers mee, of werkten hen juist tegen. Wie waren gedurende het 100-jarig bestaan van AWVN de opmerkelijkste opponenten?

Wim Kok (1938-2018), toen voorzitter van vakcentrale FNV, sloot in 1982 het beroemde zogeheten Akkoord van Wassenaar met VNO-voorzitter Chris van Veen. Dat akkoord wordt gezien als het einde van een lange werkgelegenheidscrisis en het begin van ongekende welvaartsgroei.
Henri Polak (1868–1943) was oprichter en lange tijd voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, de eerste grote goed georganiseerde vakbond in Nederland. Zijn strategie was om het lot van arbeiders via onderhandelingen te verbeteren, een werkwijze die uiteindelijk tot steeds meer cao’s leidde.
Antoon Stapelkamp (1886-1960) was voorzitter van het CNV toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen de Duitse machthebber in 1941 bepaalde dat de CNV geleid zou worden door een NSB’er riep het CNV-bestuur de leden op de bond te verlaten. Dat leidde tot opheffing van het CNV. Stapelkamp overleefde Duitse gevangenschap en richtte na de oorlog de CNV opnieuw op.
Bijenkorf-medewerker Alida (Aaltje) de Jong (1885-1943) was een uitzondering in de vooroorlogse eenzijdige wereld van de manneneconomie. Ze verzette zich begin 20ste eeuw tegen het onrecht dat arbeiders werd aangedaan, sloot zich aan bij FNV-voorloper ‘Allen een’ en PvdA-voorloper SDAP, en werd al snel de eerste vrouw die vakbondswerk als baan had. De voorvechtster van arbeiders- en vrouwenrechten kwam in een concentratiekamp om het leven.
‘Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam!’ Die uitspraak bezorgt Herman Bode (1925–2007) eeuwige roem. Zijn oproep, gedaan in 1980 tijdens een arbeidersmanifestatie in Amsterdam, markeerde een tijdperk waarin de vakbeweging grote macht had en dat uitte met massale demonstraties en stakingen – vaak met Bode als actiegerichte en charismatische leider.