Werkgeversbegrip voor toepassing aanwijsregel ‘werken in verschillende lidstaten’
Het werkgeversbegrip voor toepassing van deze aanwijsregel is in de sociale zekerheidsverordening 883/2004 niet gedefinieerd. In de ‘Praktische gids Over de toepasselijke wetgeving’, uitgegeven door de Europese Commissie, wordt echter wel aangegeven hoe dit moet worden vastgesteld. Wanneer werknemers in meerdere lidstaten van de EU werken, maar niet voor een substantieel deel, dan is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de zetel of vestigingsplaats van de werkgever die de werknemers in dienst heeft zich bevindt. De betekenis van het begrip ‘zetel of vestigingsplaats’ is gedefinieerd als ‘de zetel of vestigingsplaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend’. Vervolgens worden criteria genoemd aan de hand waarvan dit kan worden vastgesteld. Het vreemde is dat het Hof van Justitie niet verwijst naar de Praktische gids.
De voorwaarden voor detachering toepassen op de voorwaarden voor werken in verschillende lidstaten?
De sociale zekerheidsverordening heeft een aantal aanwijsregels met elk eigen voorwaarden. Op basis van de feiten kan een bepaalde aanwijsregel worden toegepast. Het Hof van Justitie komt nu tot het oordeel dat met betrekking tot het begrip ‘werkgeverschap’ voor beide aanwijsregels dezelfde criteria kunnen gelden. De voorwaarden voor de aanwijsregel inzake detachering worden met betrekking tot het begrip werkgever één op één toegepast op de voorwaarden voor de aanwijsregel van werken in verschillende lidstaten. Dat is nieuw. De vraag is dan ook of de voorwaarden voor de verschillende aanwijsregels op dezelfde wijze moeten worden vastgesteld, dan wel of per aanwijsregel de voorwaarden op de eigen merites moeten worden bezien. Laatstgenoemd oordeel is mogelijk, omdat sommige aanwijsregels een heel eenvoudig werkgeversbegrip kennen, bijvoorbeeld de aanwijsregels voor zeevarenden.
Gevolgen voor de aanwijsregels voor zeevarenden?
Het arrest toetst het begrip werkgever om uitleg te geven aan een bepaalde aanwijsregel. Het Hof gaat uit van een materieel begrip in plaats van een formeel begrip. Het Hof komt tot dit standpunt, omdat de verordening zelf voor het begrip werkgever in de aanwijsregels voor werken in verschillend lidstaten geen aanwijzingen bevat. Dat is anders voor de aanwijsregel voor zeevarenden. Voor die aanwijsregel bevat de verordening wel zelf aanwijzingen. De aanwijsregel voor zeevarenden gaat uit van het vlagstaatbeginsel. De sociale verzekeringswetgeving van de lidstaat waarvan het zeeschip de vlag voert, is bepalend voor de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving. Op deze hoofdregel geldt de volgende uitzondering die op zich een afzonderlijke aanwijsregel is:
Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. De onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever aangemerkt.
In deze uitzondering bepaalt de verordening zelf de definitie van werkgever, namelijk de onderneming of de persoon die het loon betaalt. Deze bepaling spreekt op geen enkele wijze over een formeel of materieel werkgeversbegrip. Enkel het betalen van het loon – door een onderneming of door een natuurlijk persoon – volstaat. Een onderneming kan ook een salarisadministratiekantoor zijn, dat namens de (formele?) werkgever het loon betaalt. Wanneer dat gebeurt en de ‘betaler van het loon’ en de werknemer zijn in dezelfde lidstaat