Home / Drie grootste misverstanden over werkgevers

Drie grootste misverstanden over werkgevers

Wat is de rol van werkgevers in de samenleving? Wat willen zij wel en wat juist niet? Beantwoording van die vragen heeft in de afgelopen honderd jaar tot heel wat misverstanden geleid. Dit zijn de drie hardnekkigste. 

3. Dé werkgever bestaat
Het is in een mediacratie verleidelijk te denken in tegenstellingen, bijvoorbeeld tussen werkgevers en werknemers. En dat gebeurt dus ook veelvuldig (ook AWVN bezondigt zich er wel eens aan…). De term dé werkgevers suggereert dat er een homogene groep bestaat van werkgevers die allemaal ongeveer hetzelfde belang hebben. In werkelijkheid is er een enorme verscheidenheid met vaak andere belangen: groot versus klein, behorende bij deze of bij die branche enzovoort. De grote verscheidenheid in cao-afspraken tussen sectoren (kijk op cao-kijker.nl) is hier een uitdrukking van.

Bron voor vele misverstanden is het onderscheid tussen overheidswerkgevers en marktwerkgevers. Waar bij de laatstgenoemde groep ieder dubbeltje dat aan het personeel wordt besteed, moet worden terugverdiend (door datzelfde personeel), is bij eerstgenoemde groep de ‘budgettaire ruimte’ doorslaggevend. In bijvoorbeeld het arbeidsvoorwaardenoverleg geeft dat een wezenlijk andere dynamiek.

Wat werkgevers vooral bindt, is dat ze werk geven en allemaal van doen hebben met de daaruit voortvloeiende vraagstukken. Als u dus weer een bericht leest over dé werkgevers, stel uzelf dan vooral de vraag welke werkgevers eigenlijk bedoeld worden.

2. Werkgevers zijn tegen hoge(re) lonen
De marxistische dialectiek met kapitaal versus arbeid als belangrijk(st)e tegenstelling heeft een lange nasleep. Hoewel negentiende-eeuwse uitbuiterij in Nederland is uitgebannen, roepen vakbonden bijvoorbeeld regelmatig het beeld op dat werkgevers niet ‘over de brug willen komen’ en ‘de werknemers niet willen laten meedelen’.

Werkgevers hebben op dat vlak een wijze les geleerd. In de naoorlogse wederopbouw en de enorme economische bloeiperiode die daarop volgde, bleek dat hogere lonen voor de werkende bevolking óók meer omzet voor heel veel bedrijven betekent. De negentiende-eeuwse loonslaaf was een krachtige consument geworden. En met de toenemende complexiteit van werk en werkprocessen maakt het ‘binden’ van werknemers een bedrijf sterker. Dat loonstijgingen al sinds jaar en dag globaal de inflatie compenseren met vaak nog iets meer, onderstreept dit.

En natuurlijk: in het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt regelmatig om de laatste cent gestreden. Maar dat is niets anders dan een uiting van het gegeven dat iedere cent die daar wordt beloofd linksom of rechtsom moet worden terugverdiend.

1. Werkgeven is een doel
Vooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, ten tijde van de eerste grote reorganisaties, ontstond het maatschappelijke beeld dat werkgevers niet langer bereid waren datgene te doen waartoe zij op aarde waren: het geven van werk, het inhuren van werknemers. Het was een tijdperk van werknemers die ‘voor het leven’ bij een onderneming in dienst waren – een tijd die volgde op een periode van sterke banengroei. Werknemers moesten vooral worden beschermd. In die periode van sterker wordende ontslagbescherming werd bijvoorbeeld de kantonrechtersformule bedacht.

Tegenwoordig is het misverstand minder wijdverbreid en is het voor de meeste mensen weer duidelijk dat het geven van werk een middel voor en gevolg is van iets anders: ondernemen. Oud-AWVN-strateeg, werkgeversfilosoof en publicist Ronald de Leij hamerde er voortdurend op – onder meer in zijn columns voor het AWVN-magazine Werkgeven: ‘Niemand kan tot ondernemerschap worden gedwongen, geen ondernemer kan tot werkgeverschap worden gedwongen en geen werkgever kan gedwongen worden andere mensen in dienst te nemen dan de mensen die hij of zij zelf verkiest.’