AWVN: "Niet vooruitlopen op discussie over aanpassen detacheringsrichtlijn"

22-12-2016

AWVN spreekt zich uit over de voorstellen aanpassing Verordening (EEG) nr. 883/2004 en de toepassingsverordening.

In juni 2015 is de Europese Commissie gestart met een openbare raadpleging over de coördinatie van de sociale zekerheid in de EU. Er stonden drie onderwerpen op de agenda: gezinsuitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de aanwijsregel voor de toepasselijke wetgeving inzake detachering. Wat nu aan voorstellen voor aanpassing van de verordening voorligt, gaat verder dan de in 2015 geagendeerde voorstellen voor openbare raadpleging. Er wordt ook niet meer zozeer gerefereerd aan de openbare raadpleging als wel aan het werkprogramma van de Europese Commissie dat in 2016 het licht heeft gezien. De thans voorliggende onderwerpen betreffen werkloosheidsuitkeringen, langdurige zorg, toegang tot sociale rechten voor economisch inactieven en detachering. Over gezinsuitkeringen wordt niet meer gesproken.

De voorstellen over langdurige zorg en toegang tot sociale rechten betreffen met name duidelijkere regelgeving ter bevordering van de rechtszekerheid. Dit behoeft geen verder commentaar.

De voorstellen over werkloosheid betreft de mogelijkheid voor verlenging van de export van de werkloosheidsuitkering voor een periode van 3 naar 6 maanden in die situaties waarin een EU onderdaan in het bezit van een werkloosheidsuitkering van een lidstaat een baan gaat zoeken in een andere lidstaat. Ook wordt voorgesteld het land waar gedurende de laatste 12 maanden is gewerkt de werkloosheidsuitkering te laten betalen. Deze instrumenten kunnen bijdragen aan verbetering van de arbeidsmobiliteit binnen de EU.

De voorstellen over detachering worden hierna uitgebreider becommentarieerd, omdat ze verder gaan dan de initiële openbare raadpleging beoogde. Bovendien moeten de thans geformuleerde voorstellen bezien worden in het licht van de voorstellen die recentelijk zijn gedaan over aanpassing van de detacheringsrichtlijn en, in het verlengde daarvan, van de voorliggende sociale zekerheidsverordening. Deze voorstellen gaan in de richting van introduceren van het werklandbeginsel in het arbeidsrecht en sociale zekerheid, wat vanuit het oogpunt van totstandkoming van de interne markt eerder als een achteruitgang dan als een vooruitgang wordt beschouwd. Met de nu beoogde aanpassing van de sociale zekerheidsverordening moet daar niet op vooruitgelopen worden. Op het gebied van detachering worden de volgende voorstellen gedaan.

Verduidelijking term ‘gedetacheerde werknemer’
In artikel 12 wordt voor de term ‘gedetacheerde werknemer’ de term gebruikt die in de detacheringsrichtlijn voor arbeidsrechtelijk gedetacheerde werknemers wordt gebruikt. Het is niet de bedoeling de werkingssfeer van dit artikel te wijzigen, maar betreft veeleer een afstemming van de begrippen op elkaar.

Commentaar AWVN
Het is de vraag of deze afstemming van begrippen een eventueel gewenste verduidelijking brengt. Het voorstel suggereert dat, alleen wanneer je in de zin van de detacheringrichtlijn wordt gedetacheerd, je sociaal verzekeringsrechtelijk in de zin van de sociale zekerheidsrichtlijn kunt detacheren en de sociale zekerheid van de detacherende lidstaat kunt voortzetten. Dit stemt niet overeen met de toepassing van de sociale zekerheidsverordening.
Arbeidsrechtelijke detachering is een geheel ander begrip dan sociaal verzekeringsrechtelijke detachering. De juridische kaders van beide begrippen zijn ook anders. Voor sociaal zekerheidsrechtelijke detachering is met name de sociale zekerheidsverordening, die thans voorligt, het juridisch kader. Voor arbeidsrechtelijke detachering is niet alleen de detacheringsrichtlijn een juridisch kader, maar zeker ook de EVO-verordening inzake het toepasselijk (arbeids)recht. Deze EVO-verordening kent een geheel eigen regime dat bepaalt welk arbeidsrecht in een gegeven situatie van toepassing is. De detacheringsrichtlijn is een inbreuk op het toepasselijke arbeidsrecht zoals vastgesteld door de EVO-verordening. Als gevolg daarvan kunnen er voor een werknemer verschillende arbeidsrechtelijke regimes tegelijkertijd van toepassing zijn bij een enkele detachering. Sociaal verzekeringsrechtelijk kan echter enkel en alleen één sociale verzekeringswetgeving van toepassing zijn, omdat de aanwijsregels van de verordening, die bepalen welke wetgeving van toepassing is, exclusieve werking hebben. De EVO-verordening kent ook geen beperkingen in termijn aan de arbeidsrechtelijke detachering, daar waar de sociale zekerheidsverordening een 24 maandentermijn bij detachering hanteert. De vraag is dan ook of de gesuggereerde verduidelijking niet juist tot meer verwarring aanleiding zal geven.

Een voorbeeld: een werknemer kan door zijn werkgever, in een bepaalde periode, arbeidsrechtelijk naar meerdere lidstaten gedetacheerd worden. Sociaal verzekeringsrechtelijk kan echter detachering, in een bepaalde periode, enkel naar één lidstaat plaatsvinden. Arbeidsrechtelijk blijft de uitzendende werkgever de werkgever van deze werknemer en het toepasselijke arbeidsrecht kan door middel van rechstkeuze, gewoonlijke arbeidsplaats of meeste aanknopingspunten, met een bepaalde lidstaat vastgesteld worden. Sociaal verzekeringsrechtelijk is in deze situatie geen sprake van detachering, want niet artikel 12, detachering, maar artikel 13 van de verordening is van toepassing, de aanwijsregel bij werken in verschillende lidstaten. De uitkomst van het toepasselijke sociale zekerheidsrecht is in deze situatie afhankelijk van de vraag hoeveel in het eigen woonland van de werknemer wordt gewerkt.

Machtigen van de Europese Commissie
In de verordening wordt een nieuw artikel voorgesteld dat de Europese Commissie machtigt wetgeving aan te nemen en uit te voeren voor het volgen van de juiste procedure en de voorwaarden voor het bepalen van de toepasselijke wetgeving. Gelet op de recente voorstellen die het licht hebben gezien over het aanpassen van de detacheringsrichtlijn en, in het verlengde daarvan, van de sociale zekerheidsverordening, is een verdere bevoegdheidstoedeling voor de Europese Commissie niet wenselijk. Sommige lidstaten, met name België en Nederland, trekken in de praktijk te snel de door het buitenland afgegeven detacheringsbewijzen in twijfel. Dit leidt tot procedures, onder andere tot bij het Hof van Justitie. Op basis van constante jurisprudentie wordt door het Hof verwezen naar een procedure die een adequate oplossing biedt voor gevallen waarin getwijfeld wordt aan de afgegeven detacheringsbewijzen. Deze procedure moet niet gewijzigd worden door lidstaten de bevoegdheid te geven te gemakkelijk de afgegeven detacheringsbewijzen te laten intrekken.

Nieuwe bepaling over geregistreerde zetel of plaats van vestiging
Er wordt een nieuwe bepaling voorgesteld die handelt over de geregistreerde zetel of de plaats van vestiging. Dit voorstel moet gelden voor heel titel II van Verordening 883/2004. Dit betekent dat voor alle aanwijsregels die in titel II worden genoemd, uitgegaan moet worden van een uniforme definitie. Dit betekent een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de huidige verordening die per soort aanwijsregel een andere omschrijving geeft van de voorwaarden waaraan een in een lidstaat gevestigde werkgever moet voldoen. Voor detachering wordt een uitgebreide omschrijving van een werkgever gehanteerd. Voor het werken in verschillende lidstaten, evenals voor zeevarenden, is dit niet het geval. Het voorstel zou beperkt moeten blijven tot enkel de detacheringsbepaling, omdat anders de aanwijsregels aanzienlijk anders toegepast moeten worden, hetgeen voor veel werkgevers ongewenste gevolgen zal hebben.

AWVN vindt…
AWVN is van mening dat niet vooruitgelopen moet worden op discussies die thans gevoerd worden over aanpassing van de detacheringsrichtlijn.

Het vereenzelvigen van sociale zekerheidsdetachering en arbeidsrechtelijke detachering zal tot meer onduidelijkheden leiden.

De Europese Commissie hoeft niet meer bevoegdheden te krijgen met betrekking tot de procedure en voorwaarden voor de toepasselijke wetgeving.

Een eventuele nieuwe bepaling over de geregistreerde zetel of plaats van vestiging van de werkgever zou enkel betrekking moeten hebben op werkgevers die detacheren in het kader van artikel 12 van Verordening 883/2004. 

Ruud Blaakman