SER-advies: nadere toelichting op hoofdpunten

Het SER-advies ‘Zekerheid, wendbare economie en herstel samenleving’ is op 2 juni 2021 uitgebracht. Het is voor het eerst in vijftien jaar dat werkgevers- en werknemersorganisaties samen met kroonleden tot een dergelijk advies voor de middellange termijn komen.

AWVN hield op 14 juni een webinar waarin onze experts een toelichting gaven op de totstandkoming en de inhoud van het SER-advies. Kijk het webinar hier terug

In het advies geven sociale partners aan wat een volgend kabinet volgens hen te doen staat op sociaal-economisch terrein. Het advies zal waarschijnlijk grote invloed hebben op de sociaal-economische paragraaf van een nieuw regeerakkoord.

Het SER-advies voor de middellange termijn bestrijkt meerdere beleidsterreinen: van de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en onderwijs tot duurzaamheid, technologie en Europa. Het meest uitgebreide onderdeel van het advies vormen de aanbevelingen voor de arbeidsmarkt.

Op deze pagina een nadere toelichting van de AWVN-experts op verschillende onderwerpen uit het SER-advies.

Tijdelijke contracten Uitzendarbeid Contracting Ontslag
Interne wendbaarheid Ziekte en arbeidsongeschiktheid Maatschappelijk verlof Zzp’ers
Arbeidsmarktinfrastructuur Inclusie Inkomensverdeling Pensioen
Europa Fiscaal Budgettair beleid
  • Tijdelijke contracten: ketenbepaling en oproepcontracten

    A. Ketenbepaling
    Wat is het voorstel?
    Maximaal drie contracten in maximaal drie jaar (geen wijziging t.o.v. huidige situatie). Maar: tussenpoos die de keten doorbreekt, vervalt. Uitzonderingen bij wet voor scholieren en studenten (zes maanden) en seizoensarbeid (drie maanden). Geen afwijking mogelijk bij cao. Wel: administratieve vervaltermijn.

    Hoe is de situatie nu?
    Maximaal drie contracten in maximaal drie jaar. Maximaal zes contracten in maximaal vier jaar (‘6×4’) voor specifieke functies bij cao indien aard bedrijfsvoering dit vereist. Tussenpoos van meer dan zes maanden doorbreekt de keten; tussenpoos kan bij cao worden bekort tot drie maanden voor seizoensarbeid.
    Uitsluiting ketenbepaling mogelijk bij cao voor specifieke, bij ministeriële regeling aangewezen functies.

    AWVN vindt
    Twee vragen over het voorstel: wordt administratieve vervaltermijn niet alleen een veel langere tussenpoos? En: blijft ‘6×4’ en uitsluiting ketenbepaling voor specifieke functies mogelijk?

    B. Oproepcontracten
    Wat is het voorstel?
    • Mogelijkheid oproepcontracten vervalt, behalve voor scholieren en studenten. Ten minste kwartaalurennorm, met evenwichtige verhouding tussen te werken uren en beschikbaarheid. Gewerkte uren in kwartaal basis voor uren in volgend kwartaal (rechtsvermoeden).

    Hoe is de situatie nu?
    Mogelijk, maar sinds 2020 na 12 maanden verplicht aanbod voor vaste uren voor gemiddelde van voorgaande 12 maanden. Afwijzing aanbod door werknemer en continuering voor wederom 12 maanden mogelijk. Verplichte aanbod mag jaarurennorm betreffen.

    Wat vindt AWVN?
    Roept aantal vragen op. Blijft jaarurennorm met meer fluctuatiemogelijkheid voor werkgever en werknemer mogelijk? Waterbedeffect naar uitzendarbeid? Wat als werknemer en werkgever toch oproepovereenkomst willen?

    Marco Veenstra

  • Uitzendarbeid

    Wat is het voorstel?
    Certificering uitzend- en andere bemiddelingsbureaus. Verkorting fase A naar maximaal 52 weken en fase B naar maximaal 2 jaar. Schrappen nieuwe start na onderbreking van meer dan 6 maanden, behalve voor scholieren en studenten (6 maanden) en seizoensarbeid (3 maanden).
    Totaal arbeidsvoorwaarden gelijkwaardig aan totaal bij inlener. Pensioen moet groeien naar marktconform niveau.
    Allocatie- en opstapfunctie van uitzendarbeid door monitoring waarborgen.

    Wat is de situatie nu?
    Geen certificering uitzendbureaus. Fase A (uitzendbeding, geen maximale keten, uitsluiting loondoorbetalingsverplichting (ULV)) mogelijk bij cao (ABU/NBBU) voor maximaal 78 weken. Fase B: bij cao maximaal 6 contracten in maximaal 4 jaar. Nieuwe fase A na onderbreking van meer dan 6 maanden in fase A of B. Gelijke arbeidsvoorwaarden als bij inlener, maar afwijking mogelijk bij cao (inlenersbeloning in ABU/NBBU-cao).

    Wat vindt AWVN?
    Hoe weeg je pakket arbeidsvoorwaarden om gelijkwaardigheid vast te stellen?

    Marco Veenstra

  • Contracting

    Wat is het voorstel?
    De SER stelt voor om, eventueel vooruitlopend op andere voorstellen, een bindende en handhaafbare code verantwoord marktgedrag te gaan gebruiken, met aandacht voor prijs én kwaliteit van arbeid in brede zin bij uitbesteding, allocatie van werk en andere vormen van driehoeksrelaties.

    Al in de Stichting van de Arbeid waren sociale partners het eens dat er sprake was van twee vormen van ongewenst gebruik van contracting en dat ingrijpen noodzakelijk is. Het gaat hierbij om het ontlopen van de regels met betrekking tot uitzending a) door te verhullen dat de inlener wel leiding en toezicht uitoefent en b) het werk bewust zo vormgeven dat er niet langer een cao van toepassing is.

    Wat vindt AWVN?
    Met zo’n code als de SER voorstelt zou de nadruk gelegd kunnen worden op het niet-uitbesteden van arbeid om enkel op de prijs van arbeid te besparen, maar de aandacht kunnen verleggen naar het verbeteren van de kwaliteit van het werk – en daarmee de productie of dienstverlening door te concentreren op de belangrijkste processen in een onderneming. Uitbesteding van werk moet om de juiste redenen namelijk juist mogelijk blijven om zo als ondernemer te kunnen blijven ondernemen, innoveren en groeien.

    Monica Wirtz

  • Ontslag

    Wat is het voorstel?
    Bij dreigend ontslag keuzemogelijkheid einde met wederzijds goedvinden en werk-naar-werk, zonder transitievergoeding. Als werkgever werknemer van flexibel contract naar onbepaalde tijd begeleidt, dan vervalt opslag hoge WW-premie met terugwerkende kracht. Tijdelijk hogere WW tijdens traject van om- of bijscholing tijdens werk-naar-werk na einde dienstverband.
    De arbeidsovereenkomst eindigt na twee jaar ziekte.

    Wat is de situatie nu?
    Naar gelang de ontslaggrond ontslag na procedure bij UWV of kantonrechter, maar meeste beëindigingen vinden plaats met wederzijds goedvinden. In dat geval moet vergoeding worden overeengekomen, want geen wettelijk recht op de transitievergoeding.
    Na twee jaar ziekte vervalt opzegverbod en kan na verkregen ontslagvergunning de arbeidsovereenkomst worden opgezegd.

    Wat vindt AWVN?
    Wat is nieuw bij voorstellen mogelijkheden bij wederzijds goedvinden? Kan nu toch ook al? Wat is stimulans voor werkgever als hij werknemer van vast contract naar vast contract begeleidt? Eindigt de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte van rechtswege? Zonder toets? En dan ook transitievergoeding van rechtswege?

    Marco Veenstra

  • Interne wendbaarheid

    Wat is het voorstel?
    De SER ziet graag dat er meer gebruik wordt gemaakt van interne flexibiliteit binnen organisaties. Naar verwachting zullen werkgevers dan minder terughoudend worden om mensen vast in dienst te nemen en zullen zij minder snel grijpen naar flexibele contractvormen. De raad suggereert maatregelen als zelfroosteren of een jaarurennorm die nu al door te voeren zijn. Daarbovenop wil de raad voor werkgevers de wettelijke mogelijkheid introduceren om de arbeidsduur van werknemers met maximaal 20 procent (tijdelijk) te verlagen als de bedrijfseconomische omstandigheden zo slecht zijn dat anders ontslagen zouden volgen. Bedoeling is dat 75 procent van de loonkosten uit een compensatieregeling van de overheid worden betaald, de rest vult de werkgever zelf aan.

    Hoe is de situatie nu?
    Op dit moment heeft de werkgever geen mogelijkheden om in te grijpen in de arbeidsduur.

    Wat vindt AWVN?
    AWVN is voorstander van meer interne wendbaarheid binnen organisaties, zeker als de mogelijkheden om met flexcontracten te werken worden ingeperkt. De vraag is wel in hoeverre deze maatregel de wendbaarheid daadwerkelijk gaat vergroten. Dat zal onder andere afhangen van hoe streng de voorwaarden zijn waarin werkgevers moeten voldoen om van deze maatregel gebruik te mogen maken.

    Anne Megens

  • Ziekte en arbeidsongeschiktheid: : loondoorbetaling, WIA-maatregelen

    Loondoorbetaling bij ziekte
    Bij ziekte zijn werkgevers twee jaar verantwoordelijk voor de loonbetaling en voor het verloop van het re-integratieproces. De SER stelt nu voor dat werkgevers deze verantwoordelijkheden aan een verzekeraar kunnen overdragen. De werknemer blijft in dienst bij de werkgever, maar de verzekeraar neemt de verantwoordelijkheid voor de loondoorbetaling en de werkgeversverantwoordelijkheid voor de re-integratie over. Na een jaar richt de re-integratie zich op werk bij een andere werkgever, tenzij de werkgever na overleg met de bedrijfsarts en de werknemer, besluit zich toch te richten op terugkeer bij de eigen werkgever.

    Deze afspraken sluiten aan en bouwen voort op de MKB-verzuimontzorgverzekering die met name kleine werkgevers ontzorgt als het gaat om de re-integratie van zieke werknemers. Intentie van de MKB-verzuimontzorgverzekering is, naast de dekking van het financiële risico, het helpen van de kleine werkgever bij de verplichtingen en taken rond de loondoorbetaling bij ziekte, inclusief een transparant, goed en betaalbaar dienstverleningspakket voor die twee jaar. Deze verzekering is ‘Poortwachterproof’, dat wil zeggen dat als de werkgever de aanwijzingen van de verzekeraar opvolgt een eventuele loonsanctie voor rekening van de verzekeraar komt. Wel zal nog nader moeten worden uitgewerkt hoe de wettelijke loondoorbetalingsverplichting, inclusief de daaraan gekoppelde verplichtingen, kan worden overgedragen aan de verzekeraar.

    Ontslag
    Nu is het zo dat na twee jaar ziekte het opzegverbod wegens ziekte vervalt en de werkgever na het verkrijgen van een ontslagvergunning de arbeidsovereenkomst kan opzeggen. De SER stelt voor dat de arbeidsovereenkomst eindigt na twee jaar ziekte of eerder als de werknemer duurzaam via het tweede spoor bij een andere werkgever een baan heeft gevonden.
    Dit roept de vraag op of de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte van rechtswege eindigt zonder toets of de werkgever nog passend werk beschikbaar heeft. Een andere vraag is of bij een dergelijke beëindiging van rechtswege er transitievergoeding moet worden betaald.
    Bij herplaatsing binnen twee jaar bij een andere werkgever zal nog moeten worden uitgewerkt wat onder duurzaam moet worden verstaan en of de werknemer in een dergelijk geval onder de no-riskpolis valt.

    WIA-maatregelen Op 8 juli 2020 heeft de Stichting van de Arbeid in het adviesrapport Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tien concrete aanbevelingen gedaan aan minister Koolmees van SZW om de arbeidsparticipatie van arbeidsongeschikte werknemers te verhogen. De SER wil nu de aanbevelingen op korte termijn uitvoeren. Op twee punten geeft de SER een nadere, meer concrete, invulling van de WIA-aanbevelingen, te weten de WIA-drempelverlaging en de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

    1. Verlaging ondergrens WGA Om de positie van werknemers die na twee jaar ziekte minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn te verbeteren, gaat de drempel van de WGA omlaag van 35% naar 15%.
    2. De periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, wordt verkort van tien jaar naar vijf jaar.
    Door de verlaging van de ondergrens van de WGA zullen de uitkeringslasten toenemen. Maar door de beperking van de periode van premiedifferentiatie wordt voor alle werkgevers de periode waarover zij risico lopen in het geval één van hun werknemers arbeidsongeschikt raakt, aanzienlijk beperkt. Na de periode van premiedifferentiatie wordt een collectieve, uniforme premie geheven. De budgettaire gevolgen van deze twee kennelijk samenhangende maatregelen wachten nog op nadere uitwerking.

    Vaststellen arbeidsongeschiktheidspercentage Verder vindt de SER het wenselijk het arbeidsongeschiktheidspercentage vast te stellen op basis van een realistische toets. Daarbij wordt reëel gekeken naar functies die voor de werknemer uitvoerbaar zijn in plaats van naar theoretische mogelijkheden die in de praktijk niet blijken te bestaan. Hoe dit technisch vorm moet krijgen, wacht ook nog op nadere uitwerking.

    Jan Mathies

  • Maatschappelijk verlof

    Op dit moment zijn er allerlei wettelijke verlofregelingen die de werkgever betaalt, maar een maatschappelijk karakter hebben zoals calamiteitenverlof, zorgverlof en geboorteverlof. De vele verschillende regelingen maken het onoverzichtelijk voor werkgever en werknemer en zijn niet altijd bekend. Ook bereiken deze regelingen niet alle werkenden. Werknemers met een flexibel contract kunnen formeel aanspraak maken op de regelingen maar zullen dit niet altijd doen omdat het de kans op een vervolgcontract kan verkleinen. Zelfstandigen kunnen geen aanspraak maken op deze regelingen aangezien ze geen werkgever hebben.

    De SER kondigt aan op korte termijn met een advies te komen over het stroomlijnen van de regelingen en de financiering ervan – met als uitgangspunt dat duidelijker en op andere manier gefinancierde verlofregelingen het aantrekkelijker maken werknemers in dienst te nemen.

    AWVN vindt een gezonde werk-privébalans voor werknemers van groot belang, en maatschappelijk verlof kan daar aan bijdragen. Positief is ook dat de SER adviseert verlof en de financiering ervan te stroomlijnen.

    Koen van Schie

  • Zzp’ers

    Wat is het voorstel?
    De SER vindt dat zzp als een vorm van flexibele arbeid, niet mag worden gebruikt om te concurreren op arbeidsvoorwaarden. Om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, stelt de SER een rechtsvermoeden van werknemerschap voor bij een tarief onder het maximumdagloon (35 euro per uur), en om het moratorium op de handhaving door de Belastingdienst op te heffen.
    Ook stelt de SER voor om de zelfstandigenaftrek verder af te bouwen en daarvoor in de plaats een fiscale faciliteit te creëren voor zelfstandigen die risico lopen met eigen investeringen. De SER wil ook dat met de door de Stichting van de Arbeid voorgestelde verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering en een sociaal vangnet a la TOZO zzp’ers meer gelijkwaardige sociale zekerheid wordt geboden. Het pensioenakkoord wordt opgevolgd. Tenslotte een voorstel om met de ACM te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is voor zelfstandigen om collectief te onderhandelen.

    De discussie rondom zzp’ers is door de toename van het aantal zpp’ers, de opkomst van platformbedrijven de gevolgen van de crisis alleen maar luider geworden. Al voor het rapport van de commissie-Borstlap, riep AWVN op om zzp’ers meer gelijk met werknemers te behandelen, en naar aanleiding van het rapport zijn er ook al stappen gezet.

    Wat vindt AWVN?
    AWVN is een voorstander van bescherming voor arbeidsongeschiktheid voor alle werkenden en denkt dat het nuttig kan zijn om te onderzoeken in hoeverre er afspraken gemaakt kunnen worden in cao’s. Bescherming aan de onderkant van de arbeidsmarkt is weliswaar wenselijk, maar daarbij zou het rechtsvermoeden vooral vorm moeten krijgen voor belastingen en sociale zekerheid, om het eerder onoverkomelijke struikelblok van Europees recht te vermijden.

    Monica Wirtz

  • Arbeidsmarktinfrastructuur

    Wat is het voorstel?
    Het geheel van instanties en dienstverlening dat op de arbeidsmarkt bestaat, moet bijdragen aan het voorkomen van werkloosheid en het soepel overgaan van werk naar werk. Die arbeidsmarktinfrastructuur is er nu nog niet, constateert de SER. Ambitie is om binnen 8 tot 10 jaar dekkende dienstverlening te ontwikkelen voor een leven lang leren en van-werk-naar-werk. De SER wijst sociale partners aan om hierin het initiatief te pakken en ook een rol te nemen in de uitvoering, in het bijzonder de vakbonden. Samen met de overheid moeten zij afspraken maken over wat het aanbod inhoudt. Daarin zouden zaken als skills, skillspaspoort, een toegankelijk scholingsplatform, een leerrekening en de loopbaan-apk een plek moeten krijgen. De financiering van de dienstverlening zou tenminste voor de helft uit publieke middelen moeten bestaan.

    Hoe is de situatie nu?
    Nederland kent een versplinterd landschap van instanties en samenwerkingsverbanden als het gaat om dienstverlening aan werkenden en werkzoekenden. Extra probleem dat veel initiatieven tijdelijk zijn en vaak gericht zijn op werknemers met een langdurig dienstverband, niet op alle werkenden. Bovendien is nog relatief veel dienstverlening gericht op werkloosheid oplossen in plaats van voorkomen. Voor leren en ontwikkelen – dat zo belangrijk is om de arbeidsmarkt in de toekomst soepel te laten draaien – is er nog relatief weinig centraal geregeld.

    Wat vindt AWVN?
    Het is zeer positief dat de SER zo stevig de nadruk legt op leren en ontwikkelen en van-werk-naar-werk, en uitspreekt het gebrek aan integrale, dekkende dienstverlening op dat terrein te willen oplossen. Uitdaging voor sociale partners, overheid en andere arbeidsmarktinstanties is vooral om de komende periode concreter te worden, zodat het niet bij goede intenties blijft, maar ook daadwerkelijk tot actie komt.

    Anne Megens

  • Inclusie

    Steeds meer werkgevers bieden werk aan mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, onder meer aan mensen voor wie in 2013 de Banenafspraak is gemaakt. Voor die groep alleen al zijn er ruim 66.000 extra banen bij reguliere werkgevers gekomen. Toch gaan er elke dag weer baankansen verloren omdat de match niet wordt gemaakt of omdat adequate ondersteuning uitblijft. Het tempo om de Nederlandse arbeidsmarkt inclusiever te maken, moet verder omhoog.

    Het SER-advies biedt een goede basis voor de benodigde vervolgstappen. Het onderschrijft dat er investeringen nodig zijn om meer inclusiviteit te bereiken en dat diversiteit en inclusie bijdragen aan kansengelijkheid en talentontwikkeling – een onmisbare voorwaarde voor een evenwichtiger arbeidsparticipatie alsmede voor het beter benutten van het arbeidspotentieel. Concreet vraagt de SER om betere dienstverlening aan werkzoekenden, specifiek ook voor kwetsbare groepen, en om een steviger rol van sociaal ontwikkelbedrijven, en om het financieel aantrekkelijker te maken om aan het werk te gaan. Dat zijn inderdaad noodzakelijke maatregelen.

    AWVN pleit voor een nieuwe banenafspraak waarin de doelgroep wordt verbreed naar iedereen die zonder ondersteuning niet aan werk komt of niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen. De instrumenten van de banenafspraak moeten voor die gehele doelgroep beschikbaar komen.
    De werkgeversdienstverlening moet worden verbeterd en geharmoniseerd en alle mensen die willen werken moeten praktisch en vindbaar in beeld komen.
    Tenslotte moeten de rol van sociaal ontwikkelbedrijven en maatschappelijke organisaties worden versterkt om mensen met een kwetsbare positie naar werk toe te leiden, te ondersteunen en te begeleiden. Met deze maatregelen kunnen ook mensen met een (tijdelijke) ondersteuningsbehoefte op basis van hun motivatie en capaciteiten duurzaam werk vinden en houden bij reguliere werkgevers.

    Steven Hubeek

  • Inkomensverdeling

    De afgelopen jaren is er veel discussie over de verdeling van welvaart en inkomen, wat zich concreet uitte in felle discussies over loonsverhogingen en de hoogte van het minimumloon. Het SER-advies noemt de hoge belastingdruk bij meerwerk, de druk op het besteedbaar inkomen en het risico op werkende armoede als redenen om geleidelijk en integraal het inkomensbeleid te herzien. Want iedereen moet een toereikend inkomen kunnen verdienen en meer werken moet lonender.

    De SER stelt voor om een hoger minimumuurloon in te voeren (op dit moment is er alleen sprake van minimumloon, geen minimumuurloon), met behoud van de koppeling tussen uitkeringen en het minimumloon. De SER noemt geen bedrag. Om baankansen te behouden, stelt de SER daarnaast een franchise voor werkgeverslasten voor zodat 1. de stijging van die lasten beperkt blijft, en 2. de lagere lasten op arbeid ook daadwerkelijk voor werkenden een verbetering van het besteedbaar inkomen met zich meebrengt. Ook stelt de SER een systeem van verzilverbare heffingskortingen voor om de onzekerheid rond (kinderopvang)toeslagen voor werkenden te verminderen.

    AWVN deelt het uitgangspunt dat werk moet leiden tot een toereikend inkomen. In ons recente position paper gaven we aan dat een verhoging vraagt om extra maatregelen. Het is positief dat het MLT-advies het onderwerp integraal benaderd met oog voor (het beperken van de stijging van) werkgeverslasten en hogere besteedbare inkomens voor werknemers. Aandachtspunt blijft dat de impact op specifieke sectoren groot zal zijn, en dat het effect op werkende armoede goed moet worden bezien. Veel zal afhangen van de precieze hoogte van een nieuw minimumuurloon, en de details van de aanvullende maatregelen.

    Koen van Schie

  • Pensioen

    Twee belangrijke passages over pensioen uit het SER-rapport:
    ‘Pensioen voor uitzendkrachten is het beste te regelen in een afzonderlijk pensioenarrangement. De SER adviseert daarbij de specifieke uitzondering voor de uitzendsector in de Pensioenwet ten aanzien van de wachttermijn te laten vervallen en in lijn te brengen met hetgeen wettelijk is bepaald voor de andere sectoren. De SER adviseert bovendien dat het pensioen toegroeit naar een marktconform niveau.’

    ‘Om mensen na een werkzaam leven zicht te bieden op een koopkrachtig pensioen en het pensioenstelsel houdbaar te maken voor toekomstige generaties, moet een volgend kabinet doorpakken met de verdere uitwerking en implementatie van het Pensioenakkoord en alle afspraken die in dit kader zijn gemaakt. Ten aanzien van een mogelijke regeling voor vervroegde uittreding na 45 dienstjaren, is het van belang dat er open overleg plaatsvindt tussen de nieuwe minister van Sociale Zaken en sociale partners.’

    Wat vindt AWVN?
    Het beperken van de wachttijd van de uitzendsector en het open overleg over de 45-dienstjarenregeling is staand beleid en al eerder overeengekomen – dus helemaal in lijn met onder meer het advies aanvalsplan ‘Witte vlek’ van de Stichting van de Arbeid, de brief van minister Koolmees over stand van zaken uitwerking pensioenakkoord van 10 mei 2021 en de kabinetsreactie op 45-dienstjaren onderzoek van 10 mei 2021. Dus niets nieuws wat dat betreft. En ‘open overleg’ is altijd verstandig.

    Eva Bakker

  • Europa

    Het SER-advies geeft aan dat Europa voor Nederland onverminderd van groot belang is en dat een goede werking van de interne markt van groot belang is. Een diepere en eerlijkere interne markt draagt zo bij aan het concurrentievermogen en de economische groei van Europa.

    Als dit de aanbevelingen zijn van de SER, mede richting een nieuw te vormen kabinet, dan is van belang welke kleur dit nieuwe kabinet zal krijgen en of dat kabinet Europa daadwerkelijk een warm hart toedraagt. De laatste jaren is in veel gevallen ten onrechte kritiek geuit op Europese maatregelen. En daar waar Europese maatregelen juist tot stand hadden moeten komen, zijn deze niet genomen; denk daarbij aan de coördinatie op Europees niveau met betrekking tot de coronacrisis en het vrij verkeer van werknemers. De Europese grondrechten inzake vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten zijn door de politieke partijen (en vakbonden) de laatste jaren in veel gevallen te vaak onnodig bekritiseerd. Het vrij verrichten van diensten en de totstandkoming van de interne markt is zelfs verder bemoeilijkt door Europese regelgeving.

    AWVN is van mening dat de Europese grondrechten het uitgangspunt moeten blijven en beperkingen zo veel mogelijk moeten worden vermeden. Buitenlandse werknemers vervullen een essentiële rol in de Nederlandse economie, maar worden toch regelmatig geconfronteerd met negatieve vooroordelen en een weinig open houding.
    Dat geldt niet alleen voor de buitenlandse werknemers in dienst van Nederlandse uitzendbureaus, de arbeidsmigranten die in het Rapport van Roemer worden genoemd, maar voor álle buitenlandse werknemers die op alle niveaus binnenkomen. Of het nu arbeidsmigranten, gedetacheerden of kennismigranten betreft: een goed sociaal klimaat en niet-discriminerende bejegening is van groot belang om Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt aantrekkelijk te blijven houden.

    Ruud Blaakman

  • Fiscaal: zzp'ers, scholingskosten, heffingskortingen en wig

    Zelfstandigen De SER doet voorstellen die flexibele arbeidsrelaties terugdringen en het gebruik van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor werkgevers aantrekkelijker maken. Daarin ‘beperken we prikkels die zelfstandig werken op opdrachtbasis nu aantrekkelijker maken dan arbeidsovereenkomsten als gevolg van een fiscaal ongelijke behandeling van inkomen uit arbeid’.

    De SER onderkent terecht dat het grote verschil tussen een werknemer en een zelfstandige ligt in de fiscale ondernemersfaciliteiten. In het voorstel van de SER wordt de zelfstandigenaftrek afgebouwd in samenhang met de overige maatregelen die zelfstandigen beter beschermen. In plaats daarvan komen fiscale faciliteiten voor zelfstandig ondernemers die daadwerkelijk risico lopen met eigen investeringen.
    Om in aanmerking te komen voor de zelfstandigenaftrek geldt momenteel een urencriterium. Aan het urencriterium wordt voldaan als de zelfstandige minimaal 1.225 uren aan de onderneming besteedt. Op die manier is nu invulling gegeven aan de realiteit van het werken als zelfstandige. De vraag is wat er gebeurt in een jaar waarin een zelfstandige geen investeringen pleegt. Daarnaast geldt dat voor de aanwezigheid van een onderneming de Belastingdienst meer criteria hanteert dan enkel de bestede uren en de gepleegde investeringen – denk aan inkomens- en debiteurenrisico.

    Gerichte vrijstelling scholingskosten Werkgevers ervaren thans fiscale belemmeringen bij het faciliteren van scholingsmogelijkheden van werknemers, met name als de werknemer een budget krijgt toebedeeld voor het zelf invullen van scholing. Er geldt een fiscale vrijstelling als het gaat om studiekosten voor een opleiding of studie die gericht is op het verwerven van inkomen in het kader van de huidige of mogelijk toekomstige baan. Met name als het gaat om zogenaamde soft skills  die werkgevers aanbieden (zoals mindfulness of omgaan met stress) in het kader van vitaliteit, worden fiscale belemmeringen ervaren, omdat de Belastingdienst als voorwaarde stelt dat de opleiding objectief moet bijdragen aan de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Als het verband tussen opleiding en dienstbetrekking of toekomstige beroepsuitoefening te nauw is, is de gerichte vrijstelling niet van toepassing. Dat werkt belemmerend. De SER geeft dan ook aan dat onder meer fiscale, positief stimulerende prikkels noodzakelijk zijn voor scholing en ontwikkeling. De ambitie een leven lang ontwikkelen vraagt om een breder fiscaal toetsingskader, die ook opleidingen in het kader van de vitaliteit van de werknemer worden aangeboden onder een gerichte vrijstelling kunnen scharen.

    Heffingskortingen Invoering van verzilverbare heffingskortingen vermindert de onzekerheid veroorzaakt door de toeslagensystematiek. In de kern betekent dit SER-voorstel een aanpassing van de vorm waarin de ontvanger “subsidie” ontvangt. In plaats van een “onzekere” toeslag, wordt een meer “zekere” korting op de af te dragen belasting verstrekt. Als dit in de loonsfeer wordt toegepast, dan voorkomt een dergelijk systeem dat onnodig geld wordt rondgepompt, maar de overstap naar de korting als middel betekent niet automatisch dat er situaties kunnen ontstaan waarin de korting achteraf gezien niet terecht is toegekend. Een goede analyse waar de huidige onzekerheid door wordt veroorzaakt is van belang.
    Voordeel van verzilverbare heffingskortingen is wel dat de korting rechtstreeks door de belastingplichtige wordt ontvangen in plaats van een derde. AWVN vindt het belangrijk dat het nieuwe systeem goed uitvoerbaar en handhaafbaar moet zijn en pleit daarom voor regelgeving die minder complex van aard is.

    Wig Verlagen van de lasten op arbeid waardoor het besteedbaar inkomen toeneemt, luidt het SER-advies. De huidige relatief hoge marginale tarieven op arbeidsinkomsten, vooral voor groepen in het midden van de inkomensverdeling, werken verstorend op de arbeidsdeelname en arbeidsmarkt en ontmoedigen (meer uren) werken.
    De oorzaak van de hoge marginale tarieven voor de middengroepen vinden hun oorsprong in de “finetuning” van het koopkrachtbeleid dat de afgelopen jaren is gevoerd. Terwijl de tarieven in de belastingschijven juist naar elkaar zijn toegegroeid en het hoge tarief van 49,5% pas geldt bij inkomens vanaf zo’n € 68.500, valt de feitelijke belastingdruk (het “gevoelstarief”) over een groot deel van het inkomen hoger uit door de afbouw in zowel de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Voor de inkomens in de middengroepen is de afbouw in deze twee belangrijke heffingskortingen bij elkaar opgeteld zo’n 12%.
    AWVN pleit voor een systeem van heffingskortingen waarin de afbouw van de kortingen wordt afgebouwd en daarmee de verstorende werking daarvan. Tegelijkertijd past een dergelijk voorstel in de ambitie om de wig te verkleinen.

    Armand Lahaije

  • Budgettair beleid

    In de coronacrisis heeft de Nederlandse overheid, net als andere landen wereldwijd, begrotingsregels opzij geschoven om de economie en werkgelegenheid te stutten. Dit staat in scherp contrast met de overheidsreactie op de vorige crisis; vooral in Nederland werd na 2010 scherp bezuinigd om de begroting weer op orde te krijgen. Het CPB waarschuwt nu al dat de begrotingsdiscipline op termijn moet worden hersteld. Ook discussies over de bijdrage en belasting van (winstgevende) bedrijven speelt hierbij een rol.

    Het SER-advies geeft duidelijk aan dat het budgettaire beleid een bijdrage moet leveren aan brede welvaart en dat hoge werkloosheid en terugloop van (publieke) investeringen de komende jaren moet worden voorkomen. Het beleid moet zowel bijdragen aan het herstel na de coronacrisis als aan het stimuleren van de grote transities. Daarom stelt de SER voor gedurende de herstelfase lastenverzwaringen en bezuinigingen achterwege te laten en te bezien hoe investeringen minder afhankelijk gemaakt kunnen worden van de stand van de conjunctuur. Ook geeft de SER aan dat Nederland rekening moet houden met achterstallig onderhoud in de (semi-)publieke sector en met de financiële situatie van gemeenten; voorts wijst de SER op de meerwaarde van productieve investeringen en de noodzaak van de groene transitie, en (nieuwe) Europese afspraken. E.e.a. impliceert hogere publieke uitgaven.

    AWVN staat positief tegenover de brede-welvaartsbenadering. Begrotingsbeleid is immers een middel en geen doel op zich. Zeker bij het herstel na de coronacrisis en de grote transities waar Nederland voor staat, is er een rol weggelegd voor publieke investeringen. Tegelijkertijd betekenen de voorstellen ook dat de kosten voor de baten gaan. Aandachtspunt daarbij is dat scherp op te letten dat die extra uitgaven ook echt bijdragen aan brede welvaart en dat de financiële stabiliteit van Nederland gewaarborgd blijft.

    Koen van Schie

Download het SER-advies

0 reacties