Home / Actuele HR-issues / Rijksbegroting 2020

Rijksbegroting 2020

De Miljoenennota, Belastingplan, begrotingen en bijbehorende stukken kunt u als pdf downloaden op de site van de Rijksoverheid.

Hier vindt u informatie over de Rijksbegroting 2020, zoals gepresenteerd op Prinsjesdag 2019 (dinsdag 17 september), en de analyses en commentaren van AWVN-experts. Toegespitst op de consequenties voor werkgevers.

  • Eerste reactie AWVN op de Rijksbegroting 2020

    Prinsjesdag 2019 / Rijksbegroting 2020

    Kabinetsbeleid stap in goede richting, hervorming arbeidsmarkt blijft nodig

    De economie staat er goed voor, maar de groei neemt af en de onzekerheid neemt toe. De groei wordt voor 2020 geraamd op 1,5%, lager dan dit jaar maar op hetzelfde niveau als de raming eerder dit jaar. Ook op het gebied van de arbeidsmarkt is de stand positief: de werkgelegenheid is historisch hoog en de werkloosheid heel laag. Het CPB raamt dat de werkgelegenheid blijft toenemen, maar minder hard dan in de afgelopen jaren. Keerzijde hiervan is de toenemende krapte op de arbeidsmarkt. Het CPB raamt dat de loonstijging op hetzelfde niveau blijft als in 2019 – 2,5% –  maar dat de reële loongroei stijgt door een dalende inflatie. Er is wel een duidelijke maar: de onzekerheid is groot aangezien er economische tegenwind op komst lijkt. De groeicijfers dalen internationaal en de gevolgen van de Brexit en handelspolitiek van Trump zijn onvoorspelbaar. De Nederlandse economie is vatbaar voor deze internationale onrust.

    De regering voert de arbeidsmarktparagraaf uit het regeerakkoord trouw uit, mét enkele opvallende toevoegingen. De Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) wordt op 1 januari ingevoerd, er is een pensioenakkoord gesloten en de zzp-maatregelen en het ouderschapsverlof worden verder uitgewerkt (zie ook de analyse van Koolmees’ sociale beleid op deze site). Opvallend nieuws vandaag is dat werkenden in 2020 minder inkomstenbelasting gaan betalen door de verhoging van de arbeidskorting en algemene heffingskorting en de versnelde invoering van het twee-schijvenstelsel. Dat betekent dat werkenden meer overhouden van hun loon en loonsverhoging.
    Ook heeft de regering aangekondigd dat de zelfstandigenaftrek in stapjes wordt verlaagd. Hierdoor ontstaat een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen met als doel om werkgeven aantrekkelijker te maken. Door deze maatregel ontstaat € 600 miljoen budgettaire ruimte die wordt gereserveerd voor het zzp-dossier in afwachting van het advies van de commissie Borstlap, en die bijvoorbeeld zou kunnen worden ingezet voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp-ers.
    Deze twee maatregelen laten zien dat de regeringspartijen verder kijken dan het regeerakkoord en de ambitie hebben de arbeidsmarkt klaar te maken voor de toekomst.

    De stappen die de regering zet, gaan in de goede richting, maar er moet volgens AWVN méér gebeuren. Zo vindt AWVN dat de verschillen tussen contractvormen kleiner moeten en de lasten op arbeid lager, zodat werkgeven en werken in een dienstverband aantrekkelijker worden. Ook moet er echt meer vaart worden gezet achter een leven lang ontwikkelen en een inclusieve arbeidsmarkt (zie voor meer AWVN-standpunten over de arbeidsmarkt de publicatie Wegwerkzaamheden en de reactie op het tussenrapport van de commissie Borstlap).
    In aanloop naar de verkiezingen van 2021 is het echter niet te verwachten dat de regering het komende jaar met grote, nieuwe plannen komt. De aandacht zal vooral uitgaan naar uitvoering van al genomen maatregelen. Positief is dat de regering de commissie Borstlap heeft ingesteld om advies te geven over de vraag of de huidige regels nog passen bij de arbeidsmarkt van nu en de toekomst. Het is belangrijk dat het niet bij een advies blijft, en dat de regering voorbereidingen treft zodat een nieuw kabinet echt vaart kan maken met de hervorming van de arbeidsmarkt. Aandachtspunt is dat er voldoende oog is voor de uitvoerbaarheid van maatregelen bij uitvoeringsorganisaties én werkgevers: alleen dan zullen doelen ook bereikt worden.

    Het arbeidsvoorwaardenoverleg zal het komende jaar in het teken staan van de doorwerking van het pensioenakkoord en de paradoxale combinatie van krapte en de onzekere economische situatie. Het pensioenakkoord bevat naast afspraken over pensioen en AOW extra mogelijkheden om mensen eerder met pensioen te laten gaan.
    Meest in het oog springt de tijdelijke beperking van de boete op vervroegde uittreding – de RVU-boete – en de mogelijkheid om verlof en toeslagen te sparen voor vervroegde uittreding. Deze maatregelen worden uitgewerkt en gaan waarschijnlijk pas per 2021 in. Vakbonden zullen hier in hun voorstellenbrieven waarschijnlijk op vooruit lopen, en soms kan het raken aan de bestaande cao, bijvoorbeeld als er een generatieregeling is. Het is belangrijk hierop voorbereid te zijn.
    Daarnaast is er in veel sectoren sprake van krapte. Goede beloning helpt, maar ook secundaire arbeidsvoorwaarden zijn van belang. Zo hechten steeds meer werknemers waarde aan ontwikkelkansen. Daar kunnen cao-partijen op inspelen met bijvoorbeeld een persoonlijk ontwikkelbudget. Ook met afspraken over extra partnerverlof en zeggenschap over arbeidstijden kunnen werkgevers zich onderscheiden.

    Naast krapte is er sprake van economische onzekerheid. Dit creëert een gekke paradox: aan de ene kant is er de roep om de lonen mee te laten stijgen met de economische ontwikkeling, aan de andere kant hangt economische onzekerheid in de lucht. Daarom lijkt het voor werkgevers verstandig om in te zetten op een cao met een korte looptijd en op meeademende loonafspraken. Bij resultaatafhankelijke afspraken profiteren werknemers mee van mooie winsten, maar als het tegenzit, blijven de lonen wel in balans met het bedrijfsresultaat. Dit maakt bedrijven minder kwetsbaar. Los van de cao-loonstijging blijft het belangrijk dat de lasten op arbeid verder dalen, zodat werkenden de loonstijging ook in hun portemonnee terugzien.
    In alle gevallen is het van belang om komend jaar in te zetten op het verhogen van de arbeidsproductiviteit. Van het werk slimmer en flexibeler inrichten profiteert immers iedereen. Bovendien neemt de ruimte voor loonsverhogingen daarmee toe.

  • AOW en pensioen

    AOW en tweede-pijlerpensioen
    Op 5 juni heeft het kabinet met de sociale partners het pensioenakkoord gesloten. Dit pensioenakkoord bevat naast afspraken over de vernieuwing van het tweede-pijlerpensioenstelsel, onder meer afspraken over een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd en een pakket maatregelen waarmee het voor iedereen mogelijk wordt om gezond werkend het pensioen te bereiken, ook voor degenen met zwaar werk.

    Minder snelle stijging van de AOW-leeftijd
    De minder snelle stijging van de AOW-leeftijd is inmiddels vastgelegd in de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd (Stb. 2019, 246). Hierin is geregeld dat de AOW-leeftijd in 2020 en 2021 66 jaar en 4 maanden blijft. Vervolgens zal de AOW-leeftijd in 2022 stijgen naar 66 jaar en 7 maanden en in 2023 naar 66 jaar en 10 maanden. In 2024 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar. Daarnaast zal de ontwikkeling van de AOW-leeftijd met ingang van 2025 voor 2/3 worden gekoppeld aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd.
    Concreet betekent dit dat in geval van één jaar langer leven, de AOW-leeftijd met acht maanden omhoog zal gaan. De koppeling van de pensioenrichtleeftijd (de leeftijd waarmee gerekend wordt in de tweede-pijlerpensioenregeling) zal op vergelijkbare wijze worden aangepast. De AOW-maatregelen zijn vanaf 1 januari 2020 van kracht. Met de maatregel is voor 2020 bijna € 400 miljoen gemoeid.

    Vernieuwing pensioenstelsel (tweede pijler)
    De afspraken over de vernieuwing van het pensioenstelsel worden uitgewerkt door een stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de sociale partners en het kabinet. Het kabinet wil hiervoor begin 2021 de wet- en regelgeving bij de Tweede Kamer indienen zodat het nieuwe wettelijke en fiscale kader per 2022 in werking kan treden. De gevolgen van het pensioenakkoord zijn in de begrotingen doorgerekend.

    Pensioenkortingen
    In het pensioenakkoord is afgesproken om pensioenen minder snel te korten. Inmiddels is de rente verder gedaald en is de kortingsdreiging bij veel pensioenfondsen zeer reëel en liggen ondanks de afspraken toch kortingen en premiestijgingen in het verschiet. Het kabinet benoemt deze risico’s. In de koopkrachtplaatjes voor gepensioneerden wordt met het uitblijven van indexatie en kortingsdreiging rekening gehouden. Maar voor werkenden zijn de effecten van kortingen en premiestijgingen nog niet meegenomen in de koopkrachtplaatjes.

    Wetsvoorstel ‘bedrag ineens op pensioendatum’
    Het kabinet wil meer flexibiliteit bieden in het aanwenden van het pensioenvermogen door mogelijk te maken dat deelnemers bij pensionering een deel van de waarde van de opgebouwde aanspraken op kunnen nemen in de vorm van ‘een bedrag ineens’. Voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn dat maximaal 10% van de waarde mag worden opgenomen, dat het op te nemen bedrag alléén op de pensioeningangsdatum kan worden opgenomen en dat de resterende levenslange pensioenuitkering na opname van het bedrag boven de wettelijke afkoopgrens moet liggen (2019: € 484,09 bruto per jaar).
    Het kabinet streeft ernaar een wetsvoorstel hiervoor medio 2020 in te dienen bij de Tweede Kamer. Voor pensioenen in eigen beheer en oudedagsvoorzieningen in de derde pijler zoals lijfrentes, wordt voorgesteld om dezelfde flexibiliteit te bieden.

    Wetsvoorstel ‘pensioen bij scheiding’
    Het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding is in september 2019 ingediend bij de Tweede Kamer. Hoofdregel zal worden dat het opgebouwde ouderdomspensioen en partnerpensioen voor de helft wordt afgesplitst en wordt omgezet in een eigen recht op ouderdomspensioen voor de ex-partner (dit wordt conversie genoemd). Ex-partners mogen andere afspraken maken. Daarnaast wordt de hoogte van het partnerpensioen voor de ex-partner vastgesteld enkel over de huwelijkse periode (en niet zoals nu het geval is tevens over de voorhuwelijkse periode).

    Jan Peters Sengers en Eva Bakker

  • Sociale zekerheid

    Werkloosheidswet
    Het kabinet verwacht dat de WW-uitgaven dalen: in 2019 met circa € 495 miljoen en vervolgens met € 185 miljoen in 2020. De ramingen van het CPB geven voor 2019 een daling van de werkloosheid aan, maar vanaf 2020 verwacht het CPB een stijgende werkloosheid. Desondanks dalen de WW-lasten.
    De dalende kosten van de WW zijn mede een gevolg van de Wet werk en zekerheid (Wwz). De WW-duurverkorting, de aanpassing van het besluit passende arbeid en de invoering van inkomstenverrekening hebben in de komende jaren naar verwachting een neerwaarts effect op de WW-uitgaven. Hoewel de premies sinds 2017 weer kostendekkend zijn, is er door de crisis nog steeds sprake van een aanzienlijk tekort in het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf). Het vermogenstekort in het Awf bedraagt eind dit jaar een kleine 10 miljard euro en zal in 2020 waarschijnlijk teruglopen naar bijna 7 miljard euro.

    AWf-premie
    Het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wab worden de sectorfondsen per 1 januari 2020 afgeschaft en zijn er vanaf die datum twee premietarieven binnen het Awf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden. Het lage tarief wordt voorlopig vastgesteld op 2,94% en het hoge tarief op 7,94%. De gemiddelde Awf-werkgeverspremie in 2020 bedraagt 4,19%. Dit is op zich een kleine verlaging ten opzichte van 2019, toen betaalden werkgevers aan sectorpremie en Awf gemiddeld 4,37%. Maar afhankelijk van de hoogte van de sectorpremie in 2019 en de verhouding vast-flex kan de premie voor individuele werkgevers in 2020 nogal afwijken van dit gemiddelde. De definitieve vaststelling van de Awf-premie vindt plaats in oktober.
    Overheidswerkgevers betalen geen WW-premie, maar zijn eigenrisicodrager voor de WW. Zij betalen een Ufo-premie (uitvoeringsfonds voor de overheid). Deze bedraagt 0,68% in 2020. Dit is een kleine verlaging ten opzicht van de 0,78% in 2019.

    Arbeidsongeschiktheidsregelingen
    Het totale aantal arbeidsongeschikten loopt nog steeds verder terug. Dit is het gevolg van het dalende aantal WAO’ers.

    Aof-premie
    Uit het arbeidsongeschiktheidsfonds worden de uitkering voor de WGA (na 10 jaar), IVA, WAO,WAZ, WAZO en ZW betaald. De aangekondigde Aof-premie voor 2020 bedraagt 6,79%. Dit is een verhoging ten opzichte van de premie van 6,47% in 2019. Deze verhoging is opmerkelijk omdat het Aof eind dit jaar een vermogensoverschot heeft van een kleine 13 miljard euro, dat naar verwachting eind 2020 opgelopen is tot ruim 17 miljard.

    Premie grondslag werknemersverzekeringen
    De maximumpremiegrondslag voor de werknemersverzekeringen en de ZVW wordt voor 2020 verhoogd van € 55.927 naar € 57.214.

    Commentaar
    AWVN vindt het opmerkelijk dat de Aof-premie (wederom) omhoog gaat terwijl het fonds al een ruim overschot heeft. Het betreft hier premie voor een werknemersverzekering. Dat betekent dat de hoogte van de premie zou moeten worden afgestemd op de te verwachten lasten, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bijvoorbeeld een economische crisis.

    Jan Mathies

  • Fiscaal

    Het pakket Belastingplan 2020 bestaat dit jaar uit zes wetsvoorstellen, namelijk:
    1. wetsvoorstel Belastingplan 2020
    2. het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020
    3. het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord
    4. het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2021
    5. het wetsvoorstel Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven
    6. het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten.

    Hier wordt ingegaan op de wetsvoorstellen die betrekking hebben op de relatie werkgever/werknemer (loonsfeer).

    Tarieven loon- en inkomstenbelasting
    Onderstaand een overzicht van de heffingskortingen, tarieven en schijven van de loon- en inkomstenbelasting in 2019, 2020 en 2021.

    Tarieven loon- en inkomstenheffing
    (percentage)
    2019 2020 2021
    Belastingtarief eerste schijf 36,65 37,35 37,10
    Belastingtarief tweede schijf 38,10 37,35 37,10
    Belastingtarief derde schijf 38,10 37,35 37,10
    Belastingtarief vierde schijf 51,75 49,50 49,50
    Schijven loon- en inkomstenheffing
    (geboren in of na 1946; euro’s)
    2019 2020 2021
    Lengte eerste belastingschijf 20.384 20.711 20.939
    Lengte tweede belastingschijf 34.300 34.712 34.999
    Lengte derde belastingschijf 68.507 68.507 68.507
    Heffingskortingen (euro’s) 2019 2020 2021
    Algemene heffingskorting 2.477 2.711 2.801
    Algemene heffingskorting 65-plus 1.268 1.413 1.453
    Arbeidskorting 3.399 3.595/
    3.819
    3.776/
    4.143
    Inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting 2.835 2.881 2.913
    Ouderenkorting 1.596 1.622 1.640
    Alleenstaande-ouderenkorting    429    436    441
    Jong-gehandicaptenkorting    737    749    758
    Zelfstandigenaftrek 7.280 7.030 6.780

    Aftrek scholingsuitgaven
    Het wetsvoorstel Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven stelt voor de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven af te schaffen, hetgeen een vereenvoudiging inhoudt voor de Belastingdienst. In de plaats van deze aftrekpost komt een vervangende regeling: de subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. De Kamerbrief van 3 juni 2019 (over de voortgang individuele leerbudgetten en enkele onderwerpen rond flexibilisering aanbod) van minister Koolmees (SZW) en minister Van Engelshoven (OCW) stond al even stil bij deze nieuwe regeling.

    Beperking zelfstandigenaftrek
    Het kabinet is van mening dat het grote verschil in de fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen verstorend werkt op de keuze die werkenden kunnen maken. Als gevolg daarvan, zo lezen we in de Memorie van Toelichting (MvT), is de flexibilisering sterk toegenomen en een steeds groter deel van de werkenden is niet voldoende verzekerd voor werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het kabinet vindt dat het verschil in fiscale behandeling moet worden verkleind. Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat zelfstandigen financieel er teveel op achteruit gaan en wijst erop dat zelfstandigen ook profiteren van de extra verhogingen van de arbeidskorting. De maatregel houdt in dat de zelfstandigenaftrek niet meer wordt geïndexeerd. Daarnaast wordt voorgesteld de aftrek per 2020 met acht stappen van € 250 en één stap van € 280 te verlagen van € 7.280 in 2019 naar € 5.000 in 2028. Dit betekent dat de zelfstandigenaftrek uitkomt op circa tweederde van de huidige aftrek, zo staat in de MvT op het Belastingplan te lezen. Als echter rekening wordt gehouden met de geschrapte indexatie, is uiteindelijk sprake van een halvering van de zelfstandigenaftrek.

    Wetsvoorstel fiscale maatregelen Klimaatakkoord
    In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord zijn de fiscale maatregelen opgenomen die voortvloeien uit het Klimaatakkoord en Urgenda. Het betreft fiscale maatregelen op o.a. het terrein van mobiliteit.
    Zonder nadere maatregelen stopt ingevolge de huidige wetgeving met ingang van 2021 de fiscale stimulering van emissievrije auto’s. Dat houdt onder andere in dat de korting op de bijtelling voor de emissievrije auto van de zaak met ingang van 2021 zou worden beëindigd en dat voor nieuwe emissievrije auto’s van de zaak vanaf 2021 weer het algemene bijtellingspercentage van 22% van toepassing wordt.
    In het Klimaatakkoord is benadrukt dat het streven is dat uiterlijk 2030 alle nieuwe auto’s emissievrij zijn. Om die reden stelt het kabinet voor om de fiscale stimulering van emissievrije auto’s ook na 2020 voort te zetten. De fiscale stimulering is techniekneutraal en geldt voor alle emissievrije auto’s, dus zowel voor volledig batterijaangedreven elektrische auto’s als voor bijvoorbeeld auto’s waarvan de motor wordt aangedreven door waterstof.

    Tabel verloop voorgestelde korting

    2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 e.v.
    Korting op bijtelling 14% 10% 6% 6% 6% 5% 0%
    Hoogte cap** in euro’s 45.000 40.000 40.000 40.000 40.000 40.000 n.v.t.
    Maximale korting in euro’s  6.300  4.000  2.400  2.400  2.400  2.000 n.v.t.

    ** De cap is het deel van de catalogusprijs waarop de korting op de bijtelling van toepassing is

    Aanpassen Werkkostenregeling
    De Werkkostenregeling (WKR) is een regeling in de loonbelasting voor de behandeling van vergoedingen en verstrekkingen die door de werkgever aan de werknemer worden verstrekt in het kader van een dienstbetrekking. Sinds 2015 is de WKR verplicht voor alle werkgevers.
    Op basis van een evaluatie van de regeling in 2018 en diverse overleggen met het bedrijfsleven worden 4 aanpassingen voorgesteld in het kader van het belastingpakket 2020.
    1. Vergroting van de vrije ruimte gericht op het Midden en Kleinbedrijf (MKB).
    2. Het gericht vrijstellen van vergoedingen voor een verklaring omtrent gedrag (VOG).
    3. Werkgevers krijgen meer tijd om vast te stellen of en, zo ja, hoeveel belastingheffing verschuldigd is ter zake van de als eindheffingsbestanddelen aangewezen vergoedingen en verstrekkingen.
    4. De wijze van waardebepaling bij producten uit eigen bedrijf wordt aangepast.

    Daarnaast is voorgesteld om loon ten gevolge van het door de werkgever aan de werknemer vergoede of voor deze betaalde (i) bestuursrechtelijke dwangsommen of daarmee vergelijkbare buitenlandse regelingen en (ii) geldsommen in het kader van een strafbeschikking of daarmee vergelijkbare buitenlandse sancties niet langer te kunnen aanwijzen als eindheffingsbestanddelen. Daarmee vormt de vergoeding of de betaling altijd loon van de werknemer. Er komt een overgangsregeling voor bestaande gevallen.

    Over het vergroten van de vrije ruimte voor het MKB
    De vrije ruimte bedraagt 1,2% van de fiscale loonsom. Aangewezen vergoedingen en verstrekkingen kunnen belastingvrij aan de werknemer worden vergoed of verstrekt, omdat deze ten laste komen van de vrije ruimte. Als het gebruik van de vrije ruimte niet 1.2% overtreft, dan is de werkgever geen 80% eindheffing verschuldigd. De voorgestelde verruiming komt tegemoet aan onder andere dit knellend effect van de vrije ruimte.
    Er wordt een twee-schijvenstelsel voorgesteld in de berekening van de vrije ruimte:

    Vrije ruimte Loonsom tot en met € 400.000 Meerdere
    Percentage 1,7% 1,2%


    Over het vrijstellen van vergoedingen voor een VOG

    Een werkgever is in bepaalde gevallen wettelijk verplicht om een VOG van zijn werknemer te eisen. Voor sommige werkzaamheden geldt geen wettelijke verlichting, maar vraagt de werkgever desondanks om een VOG. Een wettelijke verplichting voor een VOG geldt bijvoorbeeld voor onderwijzers, gastouders en taxichauffeurs. Verplichtstelling door de werkgever kan gebeuren om uiteenlopende redenen als het werken met kinderen of met financiële of vertrouwelijke informatie.
    Op dit moment geldt in de WKR geen gerichte vrijstelling voor vergoedingen van de werkgever aan de werknemer voor een VOG. Omdat een werknemer de VOG aanvraagt en daarvoor kosten maakt, vergoeden veel werkgevers de kosten daarvan aan hun werknemer. Zij brengen die vergoeding vervolgens ten laste van de vrije ruimte, zodat de werknemer geen heffing is verschuldigd over de vergoeding. Het kabinet stelt voor om voor de vergoeding van de kosten van het aanvragen van een VOG gericht vrij te stellen. In dat geval komt de vergoeding niet langer ten laste van de vrije ruimte van de WKR.
    Een voorwaarde is dat de verklaring omtrent het gedrag in het kader van de dienstbetrekking wordt aangevraagd.

    Over het verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing
    Op dit moment dient een werkgever de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar uiterlijk aan te geven tegelijk met de aangifte over het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Voorgesteld wordt om dit te veranderen in het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar om tegemoet te komen aan werkgevers die de huidige termijn te kort vinden.

    Over waarde producten uit eigen bedrijf
    In de huidige regeling kan het zijn dat de waarde van producten uit eigen bedrijf wordt bepaald op het door de werkgever aan derden in rekening te brengen bedrag. Voor branche-eigen producten bestaat een gerichte vrijstelling tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer. Het kabinet stelt voor om alle producten uit eigen bedrijf te waarderen op de waarde in het economisch verkeer om geen verschillende waarderingsgrondslagen te houden.

    Fiets-van-de-zaakregeling
    Uit het belastingpakket 2019 stamt de wet fiscale vergroeningsmaatregelen. Deze wet is in december 2018 aangenomen door de Eerste Kamer. In deze wet staat een fiets-van-de-zaakregeling die zich als volgt laat kenmerken.
    Vanaf 1 januari 2020 wordt de waarde van het privévoordeel van de fiets van de zaak bepaald aan de hand van een forfait. Uitgaande van verondersteld privégebruik van 25%, wordt de bijtelling 7% van de consumentenadviesprijs, oftewel de oorspronkelijke nieuwwaarde, van de fiets. Omdat bij het ter beschikking stellen van een fiets sprake is van vervoer vanwege de werkgever heeft de werknemer over de met de fiets afgelegde kilometers geen recht op een belastingvrije reiskostenvergoeding van € 0,19. De bijtelling is van toepassing als de fiets voor het woon-werkverkeer of een deel van het woon-werkverkeer ter beschikking staat. Anders dan bij de auto van de zaak is woon-werkverkeer bij het reizen met de fiets aangemerkt als privé gebruik. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten fietsen.
    De bijtelling stopt als de fiets van eigendom wisselt van de werkgever naar de werknemer. Een bij die overgang resterend loonbestanddeel is bij de werknemer belast.

    Indexeren van de vrijwilligersregeling
    Sinds 1 januari 2019 geldt dat personen die als vrijwilliger werkzaam zijn en vergoedingen en verstrekkingen ontvangen van in totaal maximaal € 170 per maand en € 1700 per kalenderjaar hierover geen belasting en premie volksverzekeringen zijn verschuldigd. Deze bedrag worden voortaan jaarlijks geïndexeerd (afronding op een veelvoud van € 100).

    Aanpassen definitie vaste inrichting i.h.k.v. het “Multilateraal instrument” (MLI)
    De aanwezigheid van een zogenaamde “vaste inrichting” in Nederland van een buitenlandse entiteit leidt tot de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting. Ook is de aanwezigheid van een vaste inrichting relevant voor de heffing over het loon van een buitenlandse werknemer die in Nederland al dan niet tijdelijk werkzaamheden verricht. In dat geval is het loon vanaf dag 1 in Nederland belast. Bovendien is er in dat geval sprake van een Nederlandse inhoudingsplichtige. Min of meer hetzelfde geldt voor de zogenaamde “vaste vertegenwoordiger”.
    In het huidige systeem bestaan mogelijkheden om de kwalificatie als vaste inrichting kunstmatig te omzeilen om belasting te ontwijken. Voorgesteld wordt om voor de invulling van de definitie van het begrip vaste inrichting in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting aan te sluiten bij de definitie in het van toepassing zijnde belastingverdrag. Voor niet-verdragssituaties wordt met dit wetsvoorstel de definitie van het begrip vaste inrichting in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting in lijn gebracht met de meest recente versie van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
    Van een vaste inrichting is sprake bij “een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, met dien verstande dat de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden slechts dan een vaste inrichting is indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.” Verder bevat de wet bepalingen wanneer geen sprake is van een vaste inrichting, bijvoorbeeld bij het aanhouden van een inrichting bedoeld voor de opslag van goederen. Van belang is tenslotte dat onder de nieuwe definitie van de vaste inrichting sneller sprake daarvan zal zijn, omdat ook voorbereidende handelingen kunnen leiden tot de aanwezigheid van een vaste inrichting. Dat is in lijn met de aanbevelingen in het kader van het zogenaamde “Base Erosion and Profit Sharing” (“BEPS”) project van de OESO.

    Jan de Graaf & Armand Lahaije

  • Zzp en flex

    Het kabinet kondigt aan iets te willen doen aan de toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt, met een betere balans tussen vast en flexibel werk en het reduceren van verschillen tussen werknemers en zelfstandigen zonder personeel. Daarom verlaagt het kabinet onder andere de zelfstandigenaftrek in stapjes naar € 5.000 in 2028. Hiervoor worden zelfstandigen gecompenseerd doordat zij, net als alle werkenden, profiteren van de hogere arbeidskorting.
    De Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), vanaf 1 januari 2020 van kracht, verkleint daarnaast de verschillen tussen vast en flexibel werkenden. De Wab is een pakket van verschillende maatregelen. Het kabinet hoopt hiermee mensen in een kwetsbare positie meer zekerheid in werk en inkomen te geven, terwijl flexwerk mogelijk blijft en voor werkgevers het aantrekkelijker wordt vaste contracten aan te bieden.
    De commissie Borstlap (commissie regulering van werk) is gevraagd om aanbevelingen te doen om een toekomstbestendige arbeidsmarkt dichterbij te brengen. Het advies over de toekomst van de arbeidsmarkt wordt eind 2019 verwacht. De commissie onderzoekt welke meer fundamentele aanpassingen nodig zijn. In aanloop naar dat advies reserveert het kabinet een deel van de opbrengst dat het gevolg is van de lagere zelfstandigenaftrek.

    Zelfstandigen
    Naast de verlaging van de zelfstandigenaftrek, introduceert het kabinet vanaf 2021 een minimumtarief van 16 euro per uur voor zzp’ers. Uitgangspunt is dat wie voltijds werkt van die inkomsten moet kunnen leven. Dit tarief moet het voor zzp’ers met lage tarieven mogelijk maken om te sparen voor werkloosheid en om zich te verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarom is in het pensioenakkoord besloten tot het inrichten van een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen en is aan de sociale partners gevraagd deze in overleg met zzp-organisaties verder vorm te geven.
    Zzp’ers met een uurtarief boven de € 75, worden geacht voldoende mogelijkheden te hebben om te sparen voor werkloosheid en pensioen en om zich te kunnen verzekeren. Zij kunnen daarom straks kiezen voor een zelfstandigenverklaring. Hiermee kunnen ze vooraf met hun opdrachtgever afspreken dat ze als zelfstandig ondernemer werken en gevrijwaard zijn van loonheffingen, pensioenverplichtingen en cao-bepalingen. Met de webmodule moeten opdrachtgevers en opdrachtnemers meer duidelijkheid krijgen over de aard van de arbeidsrelatie. De nieuwe wetgeving zal ingaan in 2021 en de webmodule in 2020.

    Het kabinet verwacht met de bovengenoemde maatregelen ook stappen te zetten om de positie van werkende armen te verbeteren. Dit alles wordt gedaan in het kader van het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden en de behoeften/wensen van werkgevers en werkenden.
    AWVN is blij dat het kabinet dit als uitgangspunt heeft. Daarmee hoopt AWVN dat naar aanleiding van het advies van de commissie Borstlap een integrale visie op arbeidswetgeving, belastingen en sociale zekerheid zal worden ontwikkeld die gericht is op toekomstige ontwikkelingen.

    Flex
    Op 1 januari treedt een groot deel van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) in werking. Met het oog op het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeidsovereenkomsten zijn meerdere maatregelen in deze wet opgenomen. De mogelijkheden om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan zijn verruimd (drie aansluitende contracten in maximaal drie jaar in plaats van in twee jaar), de transitievergoeding voor langdurige arbeidsovereenkomsten gaat omlaag maar tegelijkertijd ontstaat er vanaf de eerste dag van de arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding.

    Daarnaast komen er regels om te voorkomen dat oproepkrachten permanent beschikbaar moeten zijn, bewerkstelligen nieuwe maatregelen dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij payrolling niet meer mogelijk is, en wordt de hoogte van de WW-premie afhankelijk van de contractvorm.
    Tot slot komt er een regeling voor kleine werkgevers om de transitievergoeding te compenseren als zij (of hun erfgenamen) hun bedrijf moeten beëindigen wegens pensionering, ziekte of overlijden van de werkgever.
    Daarnaast wordt per 1 april 2020 de Regeling compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte ingevoerd.

    Monica Wirtz

  • Arbeidsomstandigheden

    Evaluatie arbowet
    In 2020 vindt er een evaluatie plaats van de Arbeidsomstandighedenwet geëvalueerd; met name wordt er gekeken hoe de wetswijzigingen van 1 juli 2017 uitwerken.

    Preventie beroepsziekten
    Het kabinet wil in het kader van de arbeidsomstandigheden meer inzetten op preventie. Daarom wordt gewerkt aan het programma ‘Preventie beroepsziekten’. Dat is gericht op het verbeteren van de naleving van het inventariseren en evalueren van risico’s (RI&E) bij kleine bedrijven.

    Arbovisie 2030
    Technologie verandert het aanbod en de vraag naar arbeid, evenals de manier waarop vraag en aanbod bij elkaar komen. Dat maakt het noodzakelijk het overheidsbeleid voor gezond en veilig werken te actualiseren. Daarom gaat het kabinet in 2020 werk maken van ‘Arbovisie 2030’.

    Jan Mathies

  • Gezondheidszorg

    Ook in 2020 stijgen de zorgkosten door de vergrijzing en nieuwe technologie. Alleen is de stijging minder hard dan verwacht. Dit is het gevolg van een lagere loon- en prijsstijging en een relatief lage volumegroei. Ook de relatief lage vaststelling van de nominale premie 2019 door zorgverzekeraars draagt hieraan bij. Hierdoor is de beoogde 50/50-verhouding tussen nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) niet gerealiseerd. In 2020 moet deze 50/50-verhouding worden hersteld, waardoor de nominale premie meer moet stijgen dan de IAB. Tenslotte drukt ook het wegwerken van een vermogensoverschot in het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) de premies drukt.

    De zorg in de toekomst
    De zorg in Nederland staat op een hoog niveau en dat wil het kabinet zo houden. Door onder meer de vergrijzing zal de vraag naar zorg in de toekomst toenemen, terwijl het aantal beschikbare mantelzorgers afneemt. Met deze toenemende zorgvraag zijn er ook meer mensen nodig die gaan werken in de zorg, terwijl de arbeidsmarkt krap is. Daarom wil het kabinet in de toekomst de zorg anders organiseren. Het kabinet komt daarom voor de zomer van 2020 met voorstellen voor een toekomstbestendige zorg.

    Nominale ZVW-premie stijgt, maar met hoeveel?
    Door de hogere zorgkosten stijgt ook de premie voor de ZVW. Jaarlijks raamt het kabinet de hoogte van de zorgpremie voor het komende jaar omdat deze raming nodig is om te kunnen inschatten hoe de koopkracht van mensen zich ontwikkelt. De daadwerkelijke premie voor 2020 wordt pas uiterlijk in november 2018 vastgesteld door de zorgverzekeraars. De raming met Prinsjesdag wijkt daarom vaak af van de daadwerkelijke premie.
    Voor 2020 raamt het kabinet de zorgpremie op € 1.422 per jaar (€ 118,50 per maand). Dat komt neer op ongeveer € 3 extra per maand, of € 37 op jaarbasis ten opzichte van de gemiddelde premie over 2019. Om de kosten voor burgers beperkt te houden blijft ook in 2020 het eigen risico € 385. Om de gevolgen van de gestegen ZVW-premie op te vangen, gaat de zorgtoeslag omhoog. Die stijgt daardoor met € 67 voor alleenstaanden en € 95 voor meerpersoonshuishoudens. Dat is meer dan de verwachte stijging van de premie.

    Inkomensafhankelijke premie
    De zorgkosten worden niet alleen uit de nominale premie gefinancierd. Ze worden voor de helft betaald uit de inkomensafhankelijke premie die werkgevers betalen. Deze inkomensafhankelijke bijdrage gaat in 2020 van 6,95% naar 6,70%. Het maximumbedrag waarover de ZVW-premie wordt berekend zal in 2020 omhoog gaan van € 55.927 naar € 57.214. Hierdoor wordt voor werkgevers met veel werknemers met een inkomen rond het maximumpremieloon of meer, een deel van de premieverlaging weer ongedaan gemaakt. De lage inkomensafhankelijke ZVW-premie die onder meer van toepassing is voor zelfstandigen en gepensioneerden daalt in 2020 van 5,70% naar 5,45%.

    Jan Mathies

  • Inclusie

    Wet tegemoetkomingen loondomein
    De afspraken over de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. Het minimumjeugdloonvoordeel (jeugd-LIV) wordt daarom met ingang van 2020 gehalveerd en met ingang van 2024 afgeschaft. Het hoge tarief van het lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt met ingang van 2020 gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 euro per jaar. Hierdoor geldt er één tarief voor alle werknemers die onder het LIV vallen.
    Daarnaast gaat het kabinet met werkgevers in overleg om te onderzoeken of een effectievere invulling voor de instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein mogelijk is.

    Jan Mathies

  • Leven lang ontwikkelen

    ‘Leven lang ontwikkelen’ is een nieuw speerpunt van het kabinet. AWVN steunt die ontwikkeling: voor werkgevers is het belangrijk om de snelle technologische ontwikkelingen daadwerkelijk te benutten en voor werkenden om bij te blijven en hun arbeidsmarktwaarde te vergroten.

    Het STAP-budget van maximaal € 1.000 (incl. BTW) per werkende is onder andere inzetbaar voor bedrijfsopleidingen voor het bijhouden en vergroten van vakkennis en voor extra vaardigheden die leiden tot een branchecertificaat. In 2020 komt er een subsidie beschikbaar voor leven lang ontwikkelen om de leercultuur te stimuleren in het MKB en in de sectoren Horeca, Landbouw en Recreatie. Voor deze drie sectoren wordt daarnaast de tegemoetkoming voor BBL-plekken verhoogd.

    Margreet Xavier

  • Internationaal

    Wijziging regeling en besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
    Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te bevorderen, wordt in 2020 geregeld dat familie- of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen kunnen werken zonder in het bezit te hoeven zijn van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Daarnaast wordt een pilot gestart om het voor Nederlandse en buitenlandse jonge, innovatieve bedrijven mogelijk te maken essentieel talent aan te trekken om (door) te groeien. In de pilot kunnen werknemers uit het buitenland onder soepelere voorwaarden worden aangetrokken dan nu het geval is.

    Handhavingsrichtlijn (Detacheringsrichtlijn)
    Volgens de Handhavingsrichtlijn geldt een notificatieplicht voor dienstverleners uit andere EU-lidstaten die tijdelijk in Nederland werknemers laten werken. Dit meldsysteem wordt in Nederland in 2020 in gebruik genomen. Tevens geldt dat op de werkplek een groot aantal documenten fysiek of digitaal beschikbaar moet zijn, soms in een andere taal dan die van de werkgever en de werknemer. Op basis van de opgegeven gegevens kunnen de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving, met name de toepassing van de kernarbeidsvoorwaarden uit de Detacheringsrichtlijn.

    Commentaar
    AWVN is voorstander van alle regelingen die het mogelijk maken om makkelijker talentvolle werkers uit het buitenland aan te trekken om in Nederland te werken. Daarin past de wijziging regeling en besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Nederland als kennisland is gebaat bij het aantrekken en behouden van hoogwaardige gekwalificeerde werkers.

    AWVN kijkt kritisch naar de aanpassing van de Handhavingsrichtlijn. In veel EU-lidstaten is het proces van notificatie ingeregeld waardoor alle werknemers die tijdelijk in het buitenland werken, van een enkele dag in het kader van een zakenreis tot een lange termijn detachering, moeten worden gemeld op straffe van forse boetes. Onderzoek van AWVN en KPMG toont aan dat vooraf registreren van uitgezonden werknemers en zakenreizigers in een ander EU-land tot een grote administratieve chaos en hoge kosten leidt. Het rapport naar aanleiding van het onderzoek dat op verzoek van een honderdtal Nederlandse ondernemingen is uitgevoerd, is recent gedeeld met de Europese Commissie om de werking van de richtlijn te verbeteren. Daar het een richtlijn betreft vult elk EU-lidstaat de principes op zijn eigen manier in. In Nederland vond de invoering van de Handhavingsrichtlijn in juni 2016 plaats via de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemer in de Europese Unie (WagwEU).

    Het rapport van AWVN en KPMG Meijburg & Co Expatriate Services bevat ook aanbevelingen voor de Europese Commissie. Een ervan is dat zakenreizigers zich niet zouden moeten hoeven laten registeren. Daarbij is het van belang dat er een uniforme definitie van ‘zakenreis’ komt, anders moet dat per lidstaat geregeld worden met alle gevolgen van dien. Ook zou de eis om documenten te uploaden, moeten vervallen. Andere belangrijke aanbevelingen betreffen het instellen van een centraal Europees registratiesysteem en het vervangen van de Handhavingsrichtlijn door een verordening. Een verordening heeft namelijk rechtstreekse werking waardoor er geen verschillen per lidstaat kunnen ontstaan. Uit het onderzoek blijkt dat de invoering van de Handhavingsrichtlijn in haar huidige vorm tot buitenproportionele eisen leidt, waarvan de naleving door het bedrijfsleven totaal onwerkbaar is.

    Jan de Graaf & Armand Lahaije