Home / Actuele HR-issues / Regeerakkoord Rutte-III: sociaaleconomische en arbeidsrechtelijke plannen

Regeerakkoord Rutte-III: sociaaleconomische en arbeidsrechtelijke plannen

Informatie over het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III, in het bijzonder over de sociaaleconomische plannen en die op het gebied van het arbeidsrecht.

regeerakkoord Rutte-III

Belangrijkste voorstellen in vogelvlucht:
• cumulatiegrond in het ontslagrecht
• wijzigingen transitievergoeding
• verkorting loondoorbetaling kleine werkgevers
• aanpassingen keten contracten bepaalde tijd
• aanpassingen nulurencontracten
• aanpassingen proeftijd
• aanpassingen payrolling
• opvolger voor de Wet DBA
• uitbreiding kraamverlof
• vernieuwingen binnen het pensioenstelsel
• gemeentelijke arrangementen beschut werk
• loondispensatie in plaats van loonsubsidie
• introductie individuele leerrekeningen

Het nieuwe kabinet heeft veel plannen op sociaaleconomisch gebied. De ambitie is om de knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen door enerzijds minder verantwoordelijkheden bij werkgevers te leggen, anderzijds het perspectief op een vaste baan te vergroten.
Het ene voorstel is meer uitgewerkt dan het andere, en het is afwachten hoe de uiteindelijke voorstellen er uit zien. Duidelijk is dat werkgevers en werknemers de komende jaren te maken krijgen met de nodige veranderingen, ook al zullen de meeste maatregelen niet eerder dan in 2019 in werking treden.
Daarnaast valt op dat bij verschillende onderdelen van het akkoord, sociale partners wordt gevraagd mee te denken over vraagstukken of een bijdrage te leveren aan de uitwerking van maatregelen.

De maatregelen van Rutte-III licht AWVN op deze pagina nader toe, en zijn ten behoeve daarvan onderverdeeld in negen thema’s: 1. ontslag, 2. flexibiliteit, 3. zzp’ers, 4. ziekte & arbeidsongeschiktheidsregelingen, 5. inclusieve arbeidsmarkt, 6. zorg voor kinderen & leren lang ontwikkelen, 7. pensioen, 8. zorg, 9. belastingstelsel, fiscaliteit & handhaving.
Per thema een overzicht van de voorgenomen maatregelen, en – waar mogelijk – uitleg wat de maatregelen impliceren alsmede een korte inhoudelijke reactie.

Wat betekent het regeerakkoord voor werkgevers?
Bekijk ook de reactie van werkgeversvereniging AWVN op het regeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie.

Gerard Groten, directeur arbeidsvoorwaardenbeleid en remuneratie AWVN, over de plannen van Rutte-III
Gerard Groten, directeur arbeidsvoorwaardenbeleid en remuneratie AWVN, over de plannen van Rutte-III
  • Ontslag en transitievergoeding

    Introductie van een cumulatiegrond
    Waar verschillende ontslaggronden spelen die tot nu toe afzonderlijk niet voldoende reden geven voor ontslag, wordt het mogelijk om deze te combineren (bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie). Het is dan aan de rechter om te beslissen of dat ontslag gerechtvaardigd is op basis van de cumulatie van omstandigheden genoemd in de verschillende gronden.
    Hier staat voor de werknemer tegenover dat de rechter dan een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de reeds bestaande transitievergoeding).

    Transitievergoeding
    Het voorstel is om de opbouw van de transitievergoeding op een aantal punten aan te passen:
    • werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding in plaats van na twee jaar. De hogere opbouw na een dienstverband van tien jaar of langer komt te vervallen: voor elk jaar gaat de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen. Wel blijft de overgangsregeling voor 50-plussers tot 2020 gehandhaafd (de hogere vergoeding bij een dienstverband van tien jaar of meer).
    • scholingskosten kunnen nu alleen op de transitievergoeding in mindering worden gebracht als deze zijn gemaakt ten behoeve van de brede inzetbaarheid buiten de eigen werkgever. Het wordt mogelijk om ook scholing in verband met de inzetbaarheid bij de eigen werkgever in mindering te brengen, mits deze gericht is op een andere functie dan de eigen functie.
    • Op 23 maart 2017 diende minister Asscher een wetsvoorstel in dat bepaalt dat de werkgever gecompenseerd wordt voor de betaalde transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid. Daarnaast bevat het voorstel de mogelijkheid om bij cao van de transitievergoeding af te wijken – zij het dat dat alleen mogelijk is bij ontslag om bedrijfseconomische redenen. Dit voorstel blijft gehandhaafd. Het is door de Tweede Kamer in december 2017 in behandeling genomen
    • de criteria om in aanmerking te komen voor de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers worden ruimer en daarmee eenvoudiger. Ook voor de situatie waarin een werkgever zijn bedrijf beëindigt wegens pensionering of ziekte, zal het kabinet met voorstellen komen om de transitievergoeding onder voorwaarden te compenseren. Hiervoor reserveert het kabinet100 miljoen euro.

    Wat vindt AWVN?
    De eis dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als er een voldragen ontslaggrond is, en de eisen die daaraan gesteld worden, hebben het te moeilijk gemaakt om werknemers te ontslaan. Van verschillende kanten is gepleit voor de mogelijkheid om verschillende ontslaggronden te combineren, omdat er in de praktijk vaak meerdere gronden spelen. Dat het kabinet dit nu mogelijk wil maken vindt AWVN positief, zij het dat AWVN liever had gezien dat dit niet ten gepaard gaat met een hogere transitievergoeding. Het zal waarschijnlijk aan de werkgever zijn om te beslissen of hij van deze cumulatiemogelijkheid gebruik wil maken.
    De voorgestelde maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding beoordeelt AWVN neutraal. Er zitten wat plussen in voor werkgevers en er zitten wat plussen in voor werknemers. Al met al blijft de transitievergoeding vooral voor kleinere werkgevers in voorkomende gevallen een (te) grote last.

    Marco Veenstra, arbeidsjurist AWVN

  • Flexibiliteit: tijdelijke contracten, proeftijd, payrolling, nulurencontracten

    Tijdelijke contracten
    • De maximale duur van de keten van contracten voor bepaalde tijd, die met de Wwz verkort was naar twee jaar, gaat weer terug naar drie jaar.
    • De tussenpoos die de keten doorbreekt is met de Wwz van drie naar zes maanden gegaan. Dit blijft in beginsel zo, maar het wordt wel mogelijk om op sectoraal niveau de tussenpoos te verkorten tot drie maanden, zoals nu al bij seizoensarbeid het geval is. Komen sociale partners hier in het overleg niet uit, dan kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een besluit nemen.
    • In het primair onderwijs is de ketenbepaling niet meer van toepassing op tijdelijke contracten voor invalkrachten in verband met vervanging wegens ziekte.

    Proeftijd
    • Bij een contract voor onbepaalde tijd (als eerste contract), mag een proeftijd van maximaal vijf maanden worden afgesproken.
    • Bij een contract voor bepaalde tijd van meer dan twee jaar, wordt de maximale proeftijd drie maanden.

    Payrolling
    Payrolling blijft mogelijk als instrument voor het ontzorgen van werkgevers, maar niet langer als instrument voor concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het kabinet zal met een wetsvoorstel komen waarin voor payrolling het soepeler regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard en dat er voor moet zorgen dat werknemers qua arbeidsvoorwaarden gelijk worden behandeld als de werknemers van de inlener. De definitie van de uitzendovereenkomst moet daarbij ongemoeid blijven. In overleg met sociale partners wordt het wetsvoorstel uitgewerkt.

    Nulurencontract
    Het kabinet wil de vereiste beschikbaarheid bij nulurencontracten herzien, daar waar de aard van de werkzaamheden dat niet vereist. De werknemer is niet langer verplicht gehoor te geven aan de oproep of heeft recht op loon bij een afzegging.

    Premiedifferentiatie WW
    Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van het vaste contract. Momenteel is er sprake van premiedifferentiatie per sector: de lasten van de eerste zes maanden WW worden per sector omgeslagen. Voorstel is om de premie te differentiëren naar contractvorm: over de eerste zes maanden WW worden aan contracten voor onbepaalde duur een lager premiepercentage toegerekend dan contracten voor bepaalde tijd. Het kabinet wil hiermee het vaste contract – het contract voor onbepaalde tijd – aantrekkelijker maken.
    Daarnaast wil het kabinet het gesprek aangaan met sociale partners over de vraag hoe de WW-uitkering meer activerend is vorm te geven.

    Wat vindt AWVN?
    De maatregelen met betrekking tot tijdelijke contracten en de langere proeftijd verhogen de flexibiliteit en kunnen tegelijk het aanbieden van een contract voor onbepaalde tijd aantrekkelijker maken. Dat is positief. AWVN is wel benieuwd wat de herziening van payrolling concreet gaat inhouden, en hoopt dat de behoefte aan flexibiliteit ook een plaats in de afwegingen krijgt.

  • Flexibiliteit: zzp-ers en (einde) wet DBA

    Het kabinet wil de Wet DBA vervangen door een nieuwe wet  – om meer duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsrelatie. De nieuwe wet moet zelfstandige en inhuurder zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking om schijnzelfstandigheid te voorkomen.

    Arbeidsovereenkomst
    Een overeenkomst van de werkende die voor een laag tarief (tot 125% wettelijk minimumloon) en voor langer dan drie maanden werkt, of reguliere bedrijfswerkzaamheden voor dat lage tarief verricht, wordt aangemerkt als arbeidsovereenkomst.
    Bij werken voor een laag tarief voor korter dan drie maanden of bij het verrichten van niet-reguliere bedrijfswerkzaamheden voor een laag tarief, is het de vraag of er sprake is van een opdrachtovereenkomst of een arbeidsovereenkomst. De plannen gaat hier niet verder op in. Voor de hand ligt dat de kwalificatie van de onderliggende overeenkomst op grond van reguliere begrippen als loon, persoonlijk arbeid verrichten en gezag, worden beoordeeld.

    Opdrachtgeversverklaring met vrijwaring
    Voor zelfstandigen die voor een hoger tarief werk verrichten komt er de opdrachtgeversverklaring met een vrijwaring voor belasting en verzekeringen. Om vooraf zekerheid te krijgen, vult de opdrachtgever  een webmodule in waarin vragen aan de orde komen over de aard van de werkzaamheden.
    Ten behoeve van de webmodule zal het onderdeel ‘gezagsverhouding’ worden verduidelijkt. Het kabinet is voornemens de wet aan te passen zodat de gezagsverhouding meer getoetst wordt aan materiële in plaats van formele omstandigheden.

    Opt out
    Voor zelfstandige ondernemers die voor een hoog tarief werken, meer dan 75 euro per uur, is een opt out voorzien voor de belasting en de werknemersverzekeringen, wanneer zij een overeenkomst hebben voor korter dan een jaar of niet-reguliere bedrijfswerkzaamheden verrichten. Niet duidelijk is of dit een verplichte verzekering voor zelfstandige ondernemers betreft of dat deze ondernemers toch als werknemers die verplicht zijn verzekerd moeten worden beschouwd. Het kabinet lijkt deze werkenden te beschouwen als ondernemers die eigen keuzes kunnen maken.
    Het kabinet zal nog met sociale partners en veldpartijen verkennen of en hoe een ondernemingsovereenkomst in het burgerlijk wetboek opgenomen kan worden, en met verzekeraars in gesprek gaan of de verzekeringsgraad voor arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen kan worden verhoogd.
    Na invoering van de nieuwe wetgeving zal het handhavingsbeleid nog maximaal een jaar terughoudend zijn.

    Wat vindt AWVN?
    Met het vervangen van de Wet DBA door een nieuwe wet probeert het kabinet een einde te maken aan de onduidelijkheid die is ontstaan. AWVN is blij met de vrijwaring die de opdrachtgeversverklaring lijkt te bieden en is benieuwd naar de invulling van de criteria van de webmodule ten behoeve van de zekerheid voor de opdrachtgevers van de werkenden met de hogere tarieven.
    AWVN hoopt dat ook onzekerheden omtrent werkenden met lage tarieven of werkenden met lage tarieven die geen arbeidsovereenkomst hebben vanwege het kort verrichten van niet-reguliere werkzaamheden, het vaststellen van laagste cao-schalen voor sectoren en de opt- outmogelijkheid voor hoge tarieven met heldere nieuwe wetgeving worden weggenomen.

  • Loondoorbetalingsverplichting bij ziekte & arbeidsongeschiktheidsregelingen

    Loondoorbetaling bij ziekte
    Om het MKB te stimuleren weer meer personeel in (vaste) dienst te nemen, wil het kabinet de loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) verkorten van twee jaar naar één jaar. De verantwoordelijkheid voor de loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen gaan in dat jaar over naar UWV. De arbeidsrelatie blijft in het tweede jaar in principe in stand. Kleine werkgevers betalen mee aan het tweede jaar door een uniforme, lastendekkende premie.
    Om onzekerheid weg te nemen over het risico op loonsanctie, kan de werkgever een tussentijds oordeel vragen over voorgenomen re-integratie-inspanningen.

    No-riskpolis
    In aanvulling op de lopende pilots met een no-riskpolis, zet het kabinet in op specifieke re-integratie en het voorkomen van uitval door het vergroten van kennis bij werkgevers en artsen.

    Arbeidsongeschiktheidsregelingen
    • De periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, gaat terug van tien naar vijf jaar. Daarmee wordt de periode beperkt waarin (middelgrote en grote) werkgevers het risico lopen op een verhoogde WGA-premie als een van hun werknemers arbeidsongeschikt raakt. Na de periode van premiedifferentiatie wordt een collectieve, uniforme premie geheven.
    • Voor personen die een WIA-uitkering ontvangen, wordt het aantrekkelijker om te gaan werken. In de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een baan, blijft de toets op het (gewijzigde) verdienvermogen van de werkhervatter, achterwege. Dit verlaagt de drempel voor werkhervatting.
    • Voor personen die in de toekomst instromen in de WIA, zal scherper worden gekeken of er geschikt werk is bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid (het Schattingsbesluit). De eis dat er drie functies te vinden moeten zijn die de persoon in kwestie zou kunnen vervullen en dat elk van deze drie functies met ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigd is, krijgt een andere invulling.
    In de toekomst moeten er nog steeds negen arbeidsplaatsen beschikbaar zijn, maar dan ongeacht de verdeling over aantallen functies. Hierdoor zullen minder mensen volledig arbeidsongeschikt worden verklaard.
    • Voor nieuwe instroom in de WGA van werknemers die 80-100% arbeidsongeschikt zijn (mensen met een restverdiencapaciteit tussen 1 en 20%) wordt de prikkel richting werk versterkt.
    Omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage, behalve aan de mate waarin iemand nog kan werken, gerelateerd is aan het vroegere loon, behoort tot de WGA 80-100% een groep WIA-gerechtigden die nog wel kan werken, maar voor wie dit financieel niet aantrekkelijk is. Het gaat hierbij om mensen met een relatief hoog verzekerd loon. Voor deze categorie gaat de eis gelden om 50% van de resterende verdiencapaciteit te benutten om recht te hebben op een loonaanvullingsuitkering.
    • Om de kans op het vinden van een baan voor mensen in arbeidsongeschiktheidsregelingen te vergroten, wordt meer geïnvesteerd in ondersteuning van deze doelgroep. Er komt een experiment met scholingsaanbod voor mensen bij wie scholing medisch gezien haalbaar wordt geacht; dat moet leiden tot meer werkhervattingsmogelijkheden. Als het experiment leidt tot een positieve ‘business case’, kan de scholing breder worden ingezet. Ook krijgt het UWV 30 miljoen voor persoonlijke dienstverlening voor WGA- en Wajong-gerechtigden.

    De gevolgen van het verkorten van de loondoorbetalingsperiode en de premiedifferentiatieperiode in de WGA, zullen volgens het regeerakkoord nauwkeurig worden gevolgd. Het kabinet staat open voor extra aanpassingen om de lasten verder terug te dringen. Sociale partners kunnen daarvoor voorstellen doen.

    Wat vindt AWVN?
    Loondoorbetaling bij ziekte  De voorgestelde maatregelen moeten leiden tot lagere lasten en risico’s voor MKB-ondernemers. Veel kleine bedrijven lopen aan tegen de werkgeversverantwoordelijkheden bij ziekte in het tweede ziektejaar, maar het is de vraag of het voorstel in de praktijk daadwerkelijk leidt tot lagere kosten (premie) en risico’s of alleen tot een andere verdeling van de schadelast. Daarom is het goed dat de gevolgen nauwkeurig worden gevolgd. Onduidelijk is of het UWV ook de nodige financiële ruimte krijgt om de re-integratietaak in het tweede jaar naar behoren uit te voeren. Alleen via betere re-integratie kan de totale schadelast van werkgevers worden beperkt.
    No-riskpolis  Werkgevers willen het instrument van de no-riskpolis graag ruimer inzetten, met name tijdens re-integratie bij een andere werkgever tijdens de eerste 104 weken van ziekte. Het lijkt er op dat het nieuwe kabinet deze weg niet wil inslaan. Dit is een gemiste kans om meer werknemers met een groot ziekterisico aan werk te helpen.
    Arbeidsongeschiktheidsregelingen  Het is voor middelgrote en grote werkgevers positief dat de periode van premiedifferentiatie voor de WGA wordt ingekort.
    Ook is positief dat wordt gekeken hoe de kansen op werk voor arbeidsongeschikte werknemers kunnen toenemen. De voorgestelde maatregelen kunnen hieraan bijdragen. Vraag is wel hoe groot de kans is dat een werknemer met een resterende verdiencapaciteit van minder dan 20 procent in staat is om hiervan nog ten minste de helft te benutten. De aanpassing van het Schattingsbesluit zal vermoedelijke slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan een verlaagde instroom in de WIA.

  • Inclusieve arbeidsmarkt: werken met een beperking, bijstand met perspectief

    Het kabinet doet een aantal voorstellen om mensen die een afstand hebben tot de arbeidsmarkt naar werk te begeleiden en wil daarmee ook enkele wijzigingen doorvoeren in de Participatiewet.

    Werken met een beperking
    Het kabinet wil dat gemeenten arrangementen gaan aanbieden voor beschut werk, daar waar werken in regulier werk niet mogelijk is. Het doel is mensen in een kwetsbare positie een betere toekomst te geven. Een extra inspanning is hiervoor vereist.
    • Het budget voor activering van en dienstverlening aan mensen in een kwetsbare positie gaat omhoog, waarmee voor 20.000 extra personen de mogelijkheid voor beschut werk ontstaat.
    • De extra middelen om de inzet op beschut werk te verstevigen, worden opgebracht door het instrument van loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie. Werkgevers kunnen daarmee een lager loon dan het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de persoon in kwestie. De gemeente vult het inkomen aan, afhankelijk van de gemeentelijke inkomensvoorziening waar de betrokkene gebruik van maakt.
    • Het kabinet wil het aantrekkelijker maken om mensen met een arbeidsbeperking een arbeidsplaats te bieden, bijvoorbeeld door initiatieven te ondersteunen die zijn gericht op het via reshoring creëren van banen voor deze doelgroep. Ook wordt op korte termijn geregeld dat banen van mensen uit de doelgroep ‘banenafspraak’ die meer zijn gaan verdienen dan het wettelijk minimumloon, toch blijven meetellen (de ‘t+2’-regel). Dit voorkomt dat werkgevers ontmoedigd raken te investeren in hun mensen.

    Bijstand
    Het kabinet wil dat mensen in de bijstand meer perspectief krijgen om weer aan het werk te komen. Omdat werk een belangrijk onderdeel is van integratie, moet in het bijzonder de arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond – nieuwkomers én oudkomers – verbeteren.
    • Het kabinet gaat niet-vrijblijvende afspraken maken met gemeenten over de wijze waarop zij uitvoering geven aan de bestaande tegenprestatie.
    • Wanneer mensen vanuit de Participatiewet (bijstand) aan het werk komen, is het van belang dat ze er ook echt op vooruit gaan. Daarom wil het kabinet met gemeenten afspraken maken over het lokaal beleid om de armoedeval te verkleinen. Ook blijft de huidige ruimte voor experimenten in de Participatiewet om bijstandsgerechtigden weer actief te krijgen op de arbeidsmarkt.

    Arbeidsmarktdiscriminatie
    Het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie krijgt een vervolg, met onder andere extra aandacht voor het bestrijden van discriminatie in sollicitatieprocedures en bij zwangerschap. Ook ziet het kabinet een stevige handhavende rol weggelegd voor inspectie SZW.

    Wat vindt AWVN?
    • Het is positief de loonkostensubsidie te vervangen door loondispensatie. De huidige situatie, waarin loondispensatie (via UWV) en loonkostensubsidie (via gemeenten) naast elkaar bestaan, is onoverzichtelijk en leidt tot verwarring bij werkgevers en werknemer. De regeling voor loondispensatie is eenvoudiger, de werknemer krijgt beloning naar de loonwaarde en het gaat om een aanvulling op de uitkering.
    Door het afschaffen van de loonkostensubsidie lijkt de noodzaak van lage loonschalen voor de werknemers uit de doelgroep van de banenafspraak is komen te vervallen.
    • Reshoring kan bijdragen aan verhoging van de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking en kan ook bijdragen aan realisatie van de banenafspraak. Het is terecht dat mensen uit de doelgroep voor de banenafspraak meetellen, ook als ze meer gaan verdienen dan het wettelijk minimumloon. Deze groep werknemers vraagt in de praktijk vaak een extra inspanning en begeleiding van de werkgever. Deze maatregel was trouwens al eerder aangekondigd.
    • Het is positief dat er aandacht is voor het verkleinen van de armoedeval en maatregelen waardoor werken aantrekkelijker wordt voor mensen die onder de Participatiewet vallen.

  • Zorg voor kinderen & leven lang ontwikkelen

    Partnerverlof bij geboorte
    Het door de werkgever betaalde kraamverlof voor partners, twee dagen, gaat op 1 januari 2019 naar vijf dagen. Deze uitbreiding komt in plaats van het wetsvoorstel ‘uitbreiding kraamverlof’, dat voorziet in drie dagen extra kraamverlof met uitkering door UWV.
    Daarbovenop krijgen partners per 1 juli 2020 in het eerste half jaar na de geboorte, recht op aanvullend kraamverlof van vijf weken, tegen een uitkering van UWV van 70% van het (maximum) dagloon.

    Kindregelingen
    Het kabinet trekt 250 miljoen euro per jaar extra uit voor de kinderopvangtoeslag, 250 miljoen euro extra voor de kinderbijslag, en 500 miljoen euro extra voor het kindgebonden budget.
    Er komt een voorstel voor een nieuwe financieringssystematiek voor de kinderopvang, waarbij de financiering direct van het Rijk naar kinderopvanginstellingen geschiedt, in plaats van via de ouders.

    Leven lang ontwikkelen en kunnen werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd
    • Het kabinet zet in op doorbraak van een leven lang leren. Omzetting van de fiscale aftrekpost voor scholingskosten naar een individuele leerrekening voor alle Nederlanders met een startkwalificatie, is het middel om meer te investeren in bijscholing – in het bijzonder van lager opgeleiden en oudere werkenden. Sociale partners en onderwijsinstellingen, inclusief O&O-fondsen, zijn aan zet om hun bijdrage aan deze leerrekening uit te werken bij de invoering, zodat iedereen zich blijvend kan ontwikkelen. Werkgevers dienen daarbij ruimere mogelijkheden te krijgen de investering in de ontwikkeling voor bredere inzetbaarheid van hun medewerkers in hun eigen organisatie af te trekken van de transitievergoeding.
    • Om meer ouderen op de arbeidsmarkt aan het werk te houden en te krijgen, is volgens het kabinet ambitieus leeftijdsbewust personeelsbeleid nodig. Het kabinet verwacht van sociale partners dat ze hier niet-vrijblijvende afspraken over maken. Mocht naar het inzicht van het kabinet te weinig voortgang worden geboekt, dan zal het niet aarzelen daaraan consequenties te verbinden. Zelf zal het kabinet kijken naar eventuele belemmeringen voor de goede invulling aan de tripartiete verantwoordelijkheid. Daarbij zal onder andere de mogelijkheid tot deeltijdpensionering (via tweede pijlerpensioen of generatiepactregelingen) worden betrokken.
    • Voor oudere werknemers die toch werkloos of arbeidsongeschikt raken, wordt de Wet IOW verlengd met vier jaar, zodat deze werknemers na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven ‘op te eten’ voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning. De leeftijdsgrens van de IOW zal vanaf 2020 meestijgen met de AOW-leeftijd. Tevens investeert het kabinet 40 miljoen euro per jaar in extra persoonlijke begeleiding door het UWV van werkzoekenden in de WW.

    Wat vindt AWVN?
    Het voornemen om individuele leerrekeningen te introduceren als middel om alle werkenden op peil te houden voor de ontwikkelingen in arbeid is positief. Dit sluit aan op de trend naar meer zelfregie van werkenden voor hun arbeidsmarktpositie en kan hen zo naast verantwoordelijkheid ook meer bevoegdheid geven. AWVN ziet een eerste stap naar de realisatie van haar pleidooi voor persoonlijke ontwikkelingsrekeningen (“Aan het werk, vijf uitdagingen voor een sterker Nederland, 2016, p 10.). In de uitwerking zou verdere openstelling van regulier onderwijs voor bijscholing op regionaal niveau goede kansen kunnen bieden, zoals de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht al laat zien.

  • Pensioen: de dubbele transitie

    Het voorstel zoals opgenomen in het regeerakkoord, is een bestendiging van de varianten die verschenen in eerdere rapporten van de SER (2015, 2016). Dit geldt voor zowel het afschaffen van de doorsneesystematiek* als de nieuwe contractvormen (een meer persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling) – in pensioenland wel de dubbele transitie genoemd.
    In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet financieel zal bijdragen aan het opvangen van de lasten van het afschaffen van de doorsneesystematiek en de overstap op een nieuwe manier van pensioenopbouw, door de overgang binnen de bestaande fiscale ruimte te faciliteren.
    Wel onder de voorwaarde dat dit geen effect heeft op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn.

    De SER krijgt de ruimte om de discussie over het nieuwe pensioenstelsel af te ronden, waarbij zij als tijdslijnen meekrijgt:
    • begin 2018 – uitwerking van de hoofdlijnen
    • 2020 – afronding van de uitwerking
    • 2021 – implementatie.

    Het regeerakkoord meldt dat pensioenopbouw een verantwoordelijkheid blijft van sociale partners, waarbij de overheid de kaders vaststelt.

    Wat vindt AWVN?
    AWVN vindt het positief dat sociale partners de ruimte krijgen om, in samenwerking en samenspraak met het kabinet, de pensioenvoorstellen die in de SER zijn opgesteld uit te werken. Inzet is om snel tot een afronding te komen.

    *Doorsneesystematiek: bij pensioenregelingen met een doorsneepremie betaalt de werkgever voor iedere deelnemer dezelfde premie, bijvoorbeeld een percentage van het salaris. Elke ingelegde euro is daarbij evenveel waard. Zo is de pensioenopbouw voor een man van 25 die € 1.000 pensioenpremie betaalt, hetzelfde als voor een man van 60 die € 1.000 pensioenpremie betaalt. Daarbij wordt er dus geen rekening mee gehouden dat de € 1.000 van de man van 25 veel langer kan worden belegd, en uiteindelijk meer kan opleveren, dan de € 1.000 van de man van de 60. Het afschaffen van de doorsneepremie laat de hiervoor genoemde gelijke pensioenopbouw los.

  • Zorg

    Op het terrein van de zorg acht het kabinet nieuwe hervormingen niet nodig. Wel kondigt het kabinet een aantal verbeteringen aan.

    • De hoogte van het maximale, verplichte eigen risico wordt deze kabinetsperiode bevroren op 385 euro per jaar. Door de indexatie tot en met 2021 buiten werking te stellen kan het eigen risico op dit niveau gehandhaafd blijven. Het niet verhogen van het eigen risico leidt, gegeven de financieringssystematiek in de Zorgverzekeringswet (Zvw), tot hogere zorgpremies.
    • Het huidige stelsel met private zorgaanbieders en -verzekeraars onder publieke randvoorwaarden blijft in stand en wordt waar nodig verbeterd.
    • Onderzocht wordt of en hoe meer transparantie en standaardisatie van het totale polisaanbod (waaronder collectiviteiten) te realiseren is en hoe te voorkomen is dat verzekeraars dezelfde polissen tegen verschillende prijzen (laten) aanbieden.
    • Er worden opnieuw hoofdlijnenakkoorden (2019-2022) gesloten over medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging, met een totale opbrengst van 1,9 miljard euro per jaar.
    •  Er komen maatregelen om de kosten van genees- en hulpmiddelen te beheersen, waaronder scherpere inkoop en herberekening van het geneesmiddelenvergoedingssysteem. Een en ander moet leiden tot een besparing van ruim 460 miljoen euro per jaar.
    • Deze kabinetsperiode is er voor preventie en gezondheidsbevordering 170 miljoen euro beschikbaar, daarna 20 miljoen per jaar.
    • Er wordt een nationaal preventieakkoord gesloten met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en -bonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De focus van het akkoord moet liggen op de aanpak van roken en overgewicht.

    Wat vindt AWVN?
    Ondanks de reeds genomen maatregelen en de aangekondigde nieuwe maatregelen, blijft de totale stijging van de kosten van de collectief gefinancierde zorg een punt van zorg. Werkgevers betalen ruwweg de helft van de totale zorgkosten Zvw. Deze kosten zullen de komende jaren verder oplopen, onder andere door intensivering van de verpleegzorg en het bevriezen van het eigen risico. Dit zal leiden tot steeds verder oplopende zorgpremies, die de koopkracht van onder anderen werkenden onder druk zetten. Dit zal ook leiden tot een stijging van de inkomensafhankelijke zorgpremie die werkgevers moeten betalen.
    Een dergelijke stijging van de werkgeverlasten maakt de inzet van arbeid duurder.

  • Belastingstelsel, fiscaliteit en handhaving

    Tweeschijvenstelsel
    Eén van de belangrijkste punten uit het regeerakkoord is de invoering van een tweeschijvenstelsel in 2019. Dan kennen we alleen een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Het toptarief zou gaan gelden voor een inkomen vanaf € 68.507. Dat leidt er volgens het regeerakkoord toe dat vanaf 2021 de lasten voor de burgers met ruim € 6 miljard worden verlaagd. Behalve de invoering van een tweeschijvenstelsel, dragen aan die lastenverlaging ook de heffingskortingen bij. Vooral werkenden in de middengroepen gaan erop vooruit.
    De maatregelen worden gefinancierd uit o.a. een verhoging van het laagste tarief van de BTW en het verlagen van de hypotheekrente- en zelfstandigenaftrek. Het belastingvoordeel dat samenhangt met de verlaging van de hoogste belastingschijf wordt voor het overgrote deel weer beperkt, doordat het aangrijpingspunt van het toptarief gedurende de kabinetsperiode wordt bevroren. De gemiddelde jaarlijkse opbrengst van deze bevriezing is afgrond 400 miljoen.

    30%-regeling
    De maximale toepassingsduur van de 30%-regeling gaat terug van acht naar vijf jaar. De aanpassing is een gevolg van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de doelstelling van de 30%-regeling en het onderzoek naar de regeling dat daarop volgde.

    Leven lang leren
    Er worden stappen gezet om de ambitie van leven lang leren te verwezenlijken. In dat verband wordt de fiscale aftrekpost voor scholingskosten vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben behaald. Met sociale partners worden afspraken gemaakt over hun bijdragen aan het leven lang leren, waar ook O&O fondsen bij worden betrokken.
    Investeringskosten in de inzetbaarheid van werknemers binnen de eigen organisatie, komen in mindering op de transitievergoeding.

    Handhaving en fraudebestrijding
    Het kabinet wil € 50 miljoen extra vrijmaken voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW voor een beter toezicht op het wettelijk minimumloon, schijnconstructies en uitbuiting.

    Wat vindt AWVN?
    • AWVN vindt de maatregelen die leiden tot lagere lasten voor met name de werkenden positief. Gezien de veelheid van aanpassingen is het op dit moment echter nog lastig om een scherp beeld te geven hoe per saldo de maatregelen voor de verschillende groepen uitwerken.
    • AWVN is blij dat de 30%-regeling in zijn huidige vorm blijft bestaan. Daar hebben we ook voor gepleit om te zorgen dat werkgevers gekwalificeerd personeel uit het buitenland kunnen blijven aantrekken. De verkorting van de duur van acht naar vijf jaar is jammer, zeker na de majeure aanpassingen van de regeling in 2012. Aan de andere kant, 80% van de gebruikers van de 30%-regeling maken er niet langer dan vijf jaar gebruik van. Verkorting van de duur zou de regeling doeltreffender en doelmatiger maken. AWVN is verheugd dat de grondslag van de 30%-regeling niet wordt aangepast. Dat zou immers wel afbreuk kunnen doen aan de attractiviteit van Nederland als vestigingsland. De aanpassing gaat in per 2019. Het is de vraag of voor bestaande gevallen overgangsrecht komt.
    • AWVN is ervan overtuigd dat werkgevers al veel doen in het kader van leven lang leren, zoals uitgebreide opleidingsprogramma’s en scholingsbudgetten voor werknemers. Het kabinet wil zich inzetten om ook groepen van werknemers die weinig aan bijscholing doen, zoals laagopgeleiden en ouderen, de kans te geven zich te blijven ontwikkelen. Bovendien staat de individuele leerrekening open voor alle Nederlanders en niet alleen voor werkgevers en werknemers. Dat versterkt Nederland als kennisland.
    • De regering is van mening dat meer controles door de Inspectie SZW nodig zijn. AWVN gelooft in de gezonde balans tussen de controlerende bevoegdheid van de overheid en het zelfregulerend vermogen van bijvoorbeeld de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS), die juist neigt naar minder controles en daarmee lagere administratieve lasten voor werkgevers met zich mee brengt.