Home / Vraag van de week

Vraag van de week

Logo AWVN-werkgeverslijnHet schriftelijkheidsvereiste voor de lage WW-premie: hoe zit dit bij vaste contracten die vóór 1 januari 2020 zijn afgesloten?

Sinds de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) op 1 januari 2020 geldt er een premiedifferentiatie WW naar aard van het contract. Ingeval van een vast contract zijnde geen oproepovereenkomst betaalt de werkgever een lage WW-premie. Bij alle overige contracten betaalt de werkgever een hoge WW-premie.

Om aan te tonen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dient een door beide partijen schriftelijke arbeidsovereenkomst of een door beide partijen ondertekend schriftelijk addendum in de loonadministratie aanwezig te zijn. Daarnaast volstaat volgens het Kennisdocument Premiedifferentiatie WW (pagina 7) ook een bevestiging van de werknemer in de vorm van een digitale handtekening, instemming via de e-mail of registratie in een HR-systeem.

Bij nieuwe contracten vanaf 1 januari 2020 moet de werkgever direct aan deze administratieve vereisten voldoen om in aanmerking te komen voor de lage WW-premie. Dit ligt echter anders voor de groep werknemers die vóór 1 januari 2020 in dienst zijn getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die geen oproepovereenkomst is. Werkgevers mogen voor deze werknemers de lage WW-premie afdragen, ook als zij nog niet daadwerkelijk kunnen aantonen dat sprake is van een vast dienstverband. Tot 1 april 2020 hebben zij de tijd om aan de administratieve vereisten voor de lage WW-premie te voldoen. Als hier niet vóór 1 april 2020 aan is voldaan, maar de arbeidsovereenkomst wel voortduurt na 31 maart, is de werkgever met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 alsnog de hoge WW-premie verschuldigd.