Home / Publicaties / achtergrond / RVU-vrijstellingsregeling: stand van zaken
maandag 29 juni 2020

RVU-vrijstellingsregeling: stand van zaken

AWVN krijgt veel vragen over de inhoud en de mogelijkheden van de RVU-vrijstelling. Ook bij de cao-onderhandelingen is de RVU-vrijstellingsregeling een vast thema van de vakbonden, en ook bij AWVN gaat het denken over de RVU-vrijstelling en de mogelijkheden die dat biedt voor werkgevers, onverminderd voort. Hoogste tijd voor een tweeledige update. De eerste: een analyse van de RVU-regeling, met aan de regeling ontleende praktische voorbeelden.

Deze analyse van de regeling is gebaseerd op de consultatieversie van het conceptwetsvoorstel, die op 19 november 2019 is verschenen. Kern van de regeling is dat werkgevers met oudere werknemers afspraken kunnen maken over eerder stoppen met werken, zonder dat de regeling als een RVU (regeling vervroegd uittreden) wordt gezien.

De RVU-vrijstelling moet in het kader van ‘het gezond de eindstreep halen’ niet op zichzelf worden bezien. Onderdeel van het veelomvattende pensioenakkoord van 2019 zijn ook de afspraken gericht op duurzame inzetbaarheid van werkenden, de uitbreiding van de mogelijkheid om verlof te sparen en om bijvoorbeeld toeslagen in te zetten voor extra pensioenopbouw. In dit artikel staat de RVU-vrijstelling centraal.

In eerste instantie was het wetsvoorstel voor de RVU-vrijstelling aangekondigd om in april naar de Tweede Kamer te worden gestuurd. Dat werd later uitgesteld tot vóór de zomer van 2020. Uit de meest recente berichten volgt dat het wetsvoorstel na de zomer zal worden ingediend bij de Tweede Kamer.

Onlangs heeft u op deze site een update over het pensioenakkoord (in 10 vragen) kunnen lezen over het pensioenakkoord. Eén van de vragen betrof de zogenaamde zware-beroepenregeling. Deze houdt verband met de in het pensioenakkoord aangekondigde RVU-vrijstelling.

Wilt u meer weten over sociale plannen?
Download dan gratis de brochure die daar dieper op ingaat.

Hoofdlijnen RVU-vrijstellingsregeling

De RVU-vrijstelling is een tijdelijke maatregel (voor een periode van vijf jaar) die waarschijnlijk op 1 januari 2021 ingaat. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat de regeling om eerder te stoppen met werken, betrekking heeft op werknemers die binnen drie jaar hun AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Sociale partners bepalen zelf de uiteindelijke afbakening van de doelgroep.
De kern is dat zo’n regeling niet wordt aangemerkt als een RVU (regeling vervroegd uittreden). Dat betekent dat de pseudo-eindheffing van 52 procent bij de werkgever, bedoeld om vervroegd-uittredingsregelingen te ontmoedigen, achterwege blijft.

Het doel van de tijdelijke versoepeling is als volgt verwoord: ‘De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing is bedoeld om voor de korte termijn de belasting te verlagen die werkgevers verschuldigd zijn als zij hun oudere werknemers die werkend niet de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen bereiken, tegemoet willen komen. Het uitgangspunt bij deze afspraken is wederzijdse goedkeuring. Werknemers die liever doorwerken, zouden dat moeten kunnen. Desalniettemin is de voorgestelde vrijstelling generiek. Op deze manier wordt de ruimte geboden aan sociale partners om recht te doen aan de specifieke (werk)omstandigheden van hun sector. Het uiteindelijke doel van de partijen die het pensioenakkoord hebben gesloten, is om zo snel mogelijk te komen tot een pakket aan maatregelen dat het werken aan duurzame inzetbaarheid structureel verankert in bedrijven en in de hoofden van werkenden.’

Het wetsvoorstel beoogt mogelijk te maken dat werkgevers, in de drie jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd, de werknemer een bedrag kunnen meegeven dat gelijk is aan het nettobedrag van de AOW-uitkering*. De werkgever hoeft geen 52% RVU-strafheffing te betalen. De uitkering is bij de werknemer belast. De werknemer kan de uitkering zelf aanvullen, bijvoorbeeld met eigen spaargeld of door het ouderdomspensioen eerder te laten ingaan.

De RVU-vrijstellingsregeling geldt voor een periode van 5 jaar en is waarschijnlijk vanaf 1 januari 2021 van kracht. De regeling is dus van toepassing in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025. Dit betekent dat in het kalenderjaar 2025 voor het laatst een van pseudo-eindheffing vrijgestelde RVU-uitkering kan worden betaald. In dat kalenderjaar kan nog een eenmalige bijdrage, premie of uitkering ter overbrugging van de komende drie jaar tot het bereiken van de AOW-leeftijd onder de vrijstelling vallen. Als de werkgever in 2025 een regeling aanbiedt waarbij de werknemer periodiek, bijvoorbeeld maandelijks een uitkering ontvangt, dan is die vanaf 2026 in principe niet langer vrijgesteld van RVU- strafheffing**.

Voorbeeld 1
De werkgever kan op 31 december 2025 nog een eenmalige uitkering doen van 3 x 20.204 euro aan een werknemer die op 31 december 2028 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

De RVU-drempelvrijstelling geldt voor zover de uitkeringen plaatsvinden in de 36 maanden vóór de AOW-leeftijd van de werknemer. De hoogte van de vrijstelling wordt gekoppeld aan het gebruteerde bedrag van de netto-AOW uitkering voor alleenstaande personen zoals dat geldt op 1 januari van het jaar waarin de eerste uitkering plaatsvindt. Het conceptwetsvoorstel gaat uit van een drempelvrijstelling van € 1.767 per maand. Om het totale vrijstellingsbedrag te berekenen, wordt het bedrag vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen de eerste uitkering en het bereiken van de AOW leeftijd***.

Voorbeeld 2 (uit het conceptwetsvoorstel)
Eenmalige RVU-uitkering binnen de 36 maandentermijn
Jackie bereikt op 18 juni 2024 haar AOW-leeftijd. Zij ontvangt op 1 juli 2021 een eenmalige RVU-uitkering van haar werkgever.

– De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 35 maanden en 17 dagen. Deze periode mag op hele maanden naar boven worden afgerond, zodat 36 maanden in aanmerking worden genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 63.612 (36 maanden maal € 1.767)****.
Voor zover
• de uitkering wordt betaald meer dan 36 maanden voor de AOW-leeftijd, of
• een hoger bedrag wordt uitgekeerd dan is vrijgesteld,
is de regeling voor dat gedeelte nog steeds een regeling waarvoor de RVU-strafheffing van toepassing is.

Voorbeeld 3 (uit het conceptwetsvoorstel)
Eenmalige RVU-uitkering boven het vrijstellingsbedrag
Ridgeciano bereikt op 1 januari 2024 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt op 1 januari 2022 een eenmalige RVU-uitkering van zijn werkgever ter hoogte van € 57.600.

– De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 24 maanden. De vrijstelling bedraagt € 42.408 (24 maanden maal € 1.767). Over een bedrag van € 15.192 (de RVU-uitkering van € 57.600 minus de drempelvrijstelling van € 42.408) is de werkgever RVU-heffing verschuldigd.

Voorbeeld 4 (uit het conceptwetsvoorstel)
Periodieke RVU-uitkeringen buiten de 36 maandentermijn
Leroy bereikt op 1 januari 2025 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt vanaf 1 januari 2021 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 1.767 per maand, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 december 2024.

– De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 48 maanden.
• Periode van 1 januari 2021 tot en met 1 december 2021 Over de uitkeringen die worden uitgekeerd in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 december 2021 is RVU-heffing verschuldigd, omdat deze uitkeringen meer dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd worden uitgekeerd.
• Periode vanaf 1 januari 2022 Vanaf 1 januari 2022 geldt de drempelvrijstelling. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering binnen de 36 maandenperiode (de RVU-uitkering die wordt ontvangen op 1 januari 2022) en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 36 maanden. De vrijstelling bedraagt hierdoor € 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maandenperiode) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overschreden. Omdat de maandelijkse RVU-uitkering gelijk is aan de drempelvrijstelling van € 1.767 per maand, is de werkgever over de vanaf 1 januari 2022 verstrekte periodieke RVU-uitkeringen geen RVU-heffing verschuldigd.

Verschillende invalshoeken

In de gesprekken die wij sinds het pensioenakkoord 2019 met werkgevers die voornemens zijn de regeling in een of andere vorm in te voeren, hebben gevoerd, zien we twee invalshoeken.

1 De RVU-vrijstellingsregeling is onderdeel van een breder duurzaam inzetbaarheidsbeleid
Bij een aantal bedrijven en sectoren is men druk bezig met het vormgeven van beleid dat de duurzame inzetbaarheid van alle medewerkers bevordert. Afspraken over een RVU-regeling is daarbij een van de instrumenten om tot een samenhangende aanpak te komen voor duurzame inzetbaarheid.
Een brede aanpak past ook bij de afspraken die in het pensioenakkoord zijn gemaakt; naast de RVU-vrijstellingsregeling in de periode 2021-2024 is 800 miljoen euro beschikbaar om te investeren in duurzame inzetbaarheid. Overigens is daar onlangs, bij de uitwerking van het pensioenakkoord, nog eens 200 miljoen aan toegevoegd.

Werkgevers die niet kunnen wachten tot 1 januari 2021, de vermoedelijke datum van inwerkingtreding van de RVU-vrijstelling, kunnen vooruitlopend op de invoering van de wet al afspraken maken om te komen tot een vrijwillige vertrekregeling voor de werknemers die een aantal jaren voor de AOW zitten. Er zijn mogelijkheden om deels gebruik te maken van de RVU-vrijstelling. De RVU-strafheffing is dan beperkt tot dat deel van de regeling dat vóór inwerkingtreding van de wet wordt ingevoerd.

2 De RVU-regeling wordt sec toegepast
We zien ook dat er afspraken gemaakt worden over alleen een RVU-regeling. Achterliggende redenen kunnen onder meer zijn:
• dat er al DI-beleid is
• dat een categorie medewerkers zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de gewijzigde pensioendatum
• dat het wenselijk is de eerste stap te zetten in de aanpak van zwaar werk.

Vanwege de coronacrisis is de verwachting dat het aantal reorganisaties zal toenemen. Het ligt voor de hand dat daarbij ook naar de toepasbaarheid van de RVU-regeling wordt gekeken.

Welke invalshoek?
Een aantal vragen die behulpzaam kunnen zijn, bij het bepalen van de invalshoek voor uw situatie.
1 Tijdelijke of structureel Is het een tijdelijke maatregel of is de bedoeling om tot structurele afspraken te komen? Bij dat laatste zal ook over andere maatregelen nagedacht moeten worden: na 2025 geldt de RVU-vrijstelling niet meer.
2 Doelgroep Is er een heldere en eenduidige definitie van de doelgroep die voor de regeling in aanmerking komt? Bijvoorbeeld op basis van het geboortejaar of een functielijst als bezwarende werkomstandigheden een rol spelen?
3 Regeling Welke afspraken uiteindelijk gemaakt (kunnen) worden die ertoe leiden dat er geen RVU-heffing is verschuldigd, is mede afhankelijk van waarvoor gekozen wordt (in de wetenschap dat uitkeringen na 31 december 2025 niet meer zijn vrijgesteld): direct stoppen/deels doorwerken en uitkering ineens/periodieke uitkering.
4 Keuzevrijheid Bij wie ligt de keuze tot deelname aan de regeling: alleen bij werknemer of wordt deelname mede bepaald door de werkgever?

Hoewel de cao-trajecten tijdelijk vrijwel stil hebben gelegen vanwege de coronacrisis, constateren wij dat ondertussen in menig cao afspraken zijn gemaakt over studies naar de mogelijkheden om tot de invoering van een zware-beroepenregeling te komen – in afwachting van de inwerkingtreding van de wet.

De tijdelijke RVU-vrijstelling biedt een goede basis voor het ontwerpen van een vrijwillige vertrekregeling, waarbij werkgevers oudere werknemers de mogelijkheid kunnen bieden de dienstbetrekking te verlaten. Een vraag waar werkgevers zich voor zien gesteld is of de RVU-vrijstelling een regeling is die op zich moet worden ingevoerd of kan worden ingezet als één van de instrumenten in het kader van een reorganisatie of in het kader van duurzame inzetbaarheid.

Een ander punt is de tijdelijkheid van de regeling. Die stopt na 2025. Echter: de discussie over en de problematiek van mensen met een zwaar beroep houdt dan vast niet op. De aanpak daarvan vraagt om structureel beleid van werkgevers.

Noten

* Dat wil zeggen na inhouding en afdracht van de verschuldigde loonheffingen. De vrijstelling wordt jaarlijks bijgesteld aan de hand van wijzigingen in de hoogte van de AOW-uitkering, zodat de hoogte van de vrijstelling feitelijk gekoppeld blijft aan de netto-AOW.
** Over dit laatste punt bestaat thans enige onduidelijkheid. In het consultatie conceptwetsvoorstel staat dat in lagere regelgeving zal worden bepaald dat een uiterlijk op 31 december 2025 bij een fonds of verzekeraar gestorte, van RVU-heffing vrijgestelde bijdrage of premie kan worden uitgekeerd in de jaren 2026, 2027 en 2028 met inachtneming van de in de wet gestelde voorwaarden. De vraag is of als de werkgever een regeling in eigen beheer uitvoert, dus niet via een fonds of verzekeraar, de RVU-vrijstelling niet van toepassing is. Omdat het conceptwetsvoorstel aangeeft dat alleen bij een fonds of een verzekeraar ondergebrachte regeling na 1 januari 2026 kan leiden tot van RVU-vrijgestelde bepalingen, gaan wij er vooralsnog vanuit dat de regeling bij de werkgever niet in eigen beheer kan worden uitgevoerd. Mocht het na de zomer van 2020 ingediende wetsvoorstel op dit punt worden aangepast, dan laten wij dat weten.
*** Het aantal maanden wordt op hele maanden naar boven afgerond.
**** In het conceptwetsvoorstel staat voor de volledigheid dat als de eenmalige RVU-uitkering vóór 18 juni 2021 wordt ontvangen, er geen drempelvrijstelling van toepassing is, omdat de uitkering in dat geval meer dan 36 maanden vóór het bereiken van de AOW-leeftijd wordt ontvangen.