Home / Nieuws / Wijziging regelgeving VPL-inhaalpensioen
woensdag 18 april 2018

Wijziging regelgeving VPL-inhaalpensioen

De interpretatie van de aanpassing van het Besluit VPL verscheen 3 april op de website van DNB door een aangepaste Q&A. Het besluit was al gewijzigd in november 2017. Deze nieuwe interpretatie kan een forse kostenstijging tot gevolg hebben voor werkgevers en branches die een nog niet volledig ingekocht VPL-inhaalpensioen hebben ondergebracht bij een pensioenfonds. Wat betekent dit? Wat kunnen werkgevers doen?

Historie
De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregelingen (Wet VPL) die per 1 januari 2006 in werking trad, hield in dat de fiscale faciliteiten voor VUT- en prepensioenregelingen verdwenen. Feitelijk betekende dit het einde van VUT- en prepensioen. De werknemerspremies voor de VUT- en prepensioenregelingen waren niet meer aftrekbaar en de werkgeversbijdragen werden belast. Het doel van de wet was ervoor te zorgen dat oudere werknemers langer aan het werk blijven.

Bij de afschaffing van de VUT en het prepensioen was er in 2006 en 2007 eenmalig de mogelijkheid om de werknemers extra pensioenopbouw toe te kennen over tot 2006 verstreken dienstjaren in de vorm van een VPL-inhaalpensioen. Deze regeling wordt ook wel de 15-jarenregeling genoemd. Het VPL-inhaalpensioen mocht geleidelijk over 15 jaar of ineens bij pensionering of na 15 jaar worden opgebouwd en gefinancierd. Het VPL-inhaalpensioen is een voorwaardelijk pensioen tot het moment van inkoop van pensioen. Bij uitdiensttreding binnen de termijn van 15 jaar (uiterlijk 1 januari 2021 of 2022) of voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, heeft de werknemer geen recht op deze aanspraak. Bij geleidelijke inkoop per jaar, bestaat wel recht op het reeds ingekochte stuk inhaalpensioen.

Aanpassing Uitvoeringsbesluit VPL
Met ingang van 29 november 2017 is het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2014 gewijzigd. Expliciet is vastgelegd dat dat VPL-aanspraken in beginsel niet gefinancierd mogen worden uit het eigen vermogen van het pensioenfonds maar alleen uit het vermogen dat ter dekking van de technische voorzieningen wordt aangehouden.

Aanpassing Q&A DNB
Naar aanleiding van de aanpassing van dit uitvoeringsbesluit heeft DNB op 3 april 2018 haar beleidsregels en de Q&A (‘open boek’) aangepast. In deze Q&A stelt DNB zich op het standpunt dat de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit VPL ertoe leidt dat pensioenfondsen een actuariële koopsom in rekening moeten brengen inclusief opslagen voor kosten en vereist eigen vermogen. Voor zover de actuele dekkingsgraad lager is dan het vereist vermogen, is het toegestaan een koopsom in rekening te brengen tegen het niveau van tenminste de actuele dekkingsgraad (met een minimum van het MVEV).

Wat betekent dit?
Dit standpunt van DNB kan voor sociale partners tot onverwachte problemen leiden. Veel pensioenfondsen kopen VPL-pensioen in op basis van een gedempte kostendekkende premie. DNB stelt nu dat inkoop dient plaats te vinden tegen de actuele rentetermijnstructuur per het einde van de voorafgaande periode. Als een pensioenfonds nu op basis van de actuele lage rente moet inkopen, dan zal de prijs voor de inkoop van VPL-aanspraken op basis van de huidige marktomstandigheden omhoog schieten. De VPL-premie kan volledig voor rekening van de werkgever zijn, maar het komt ook voor dat de premie zowel door werkgever als werknemers wordt betaald. Dit onvoorziene effect doorkruist eerdere premieafspraken en kan er toe leiden dat extra premies moeten worden betaald. Een alternatief is dat de VPL-aanspraken worden verlaagd.

Het moment waarop DNB de gewijzigde voorwaarden introduceert komt ongelegen. Gelet op de maximale termijn van 15 jaar waarbinnen het VPL-pensioen moet zijn ingekocht (zie hierboven) is het voor veel pensioenfondsen ‘vijf voor twaalf’.

Wat kunnen werkgevers doen?
Dit bericht is van belang voor werkgevers en werkgeversverenigingen die een nog niet (volledig) ingekochte VPL-inhaalpensioenregeling hebben, ondergebracht bij het ondernemingspensioenfonds dan wel een bedrijfstakpensioenfonds. Is deze situatie op u als werkgever of als werkgeversvereniging binnen een branche van toepassing, dan raden we u aan zo snel mogelijk met het pensioenfonds in gesprek te gaan en te onderzoeken wat de eventuele financiële consequenties zijn. Het is zaak de afspraken over de VPL-regeling goed onder de loep te nemen en te onderzoeken of er bijvoorbeeld ruimte is voor tussentijdse aanpassing van de VPL-regeling. Het is verstandig om de werknemersvertegenwoordigers (vakbonden, ondernemingsraad) in een vroeg stadium bij dit proces te betrekken. Mocht u hierbij ondersteuning wensen, dan kunt u contact opnemen met een van de pensioenadviseurs van AWVN.