Home / Nieuws / Tweede Kamer neemt wetsvoorstel extra geboorteverlof aan
donderdag 04 oktober 2018

Tweede Kamer neemt wetsvoorstel extra geboorteverlof aan

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel voor extra geboorteverlof (WIEG) aangenomen. Vanaf 1 januari 2019 krijgen partners na de geboorte een hele week verlof volledig doorbetaald, in plaats van de twee dagen betaald kraamverlof waar zij nu nog recht op hebben. Partners kunnen het verlof meteen opnemen, maar mogen dat ook doen in de eerste vier weken na de bevalling.

De regering acht een wettelijk recht op (gedeeltelijk) betaald geboorteverlof nodig om een substantiële stap vooruit te zetten en een concrete stimulans te geven aan een betere participatie van partners bij de zorg en opvoeding van hun kind. Ook wil zij met deze regeling de arbeidsparticipatie van vrouwen bevorderen en een meer evenwichtige verdeling van werk en zorgtaken tussen de partners bewerkstelligen.
Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het wetsvoorstel invoering extra geboorteverlof (WIEG) op 14 juni ingediend bij de Tweede Kamer. Op 2 oktober heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Het voorstel beoogt een verruiming van het huidige kraamverlof per 1 januari 2019, namelijk van de huidige twee dagen met loondoorbetaling naar eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met loondoorbetaling.
Aanvullend krijgen partners recht op vijf maal de wekelijkse arbeidsduur verlof, op te nemen binnen zes maanden na de geboorte van het kind. Het aanvullend verlof bestaat uit een uitkering van het UWV ter hoogte van 70 procent van het (maximum) dagloon voor maximaal vijf weken. Dit aanvullend verlof gaat in op 1 juli 2020. Deze latere datum heeft te maken met de voor de uitkering en handhaving van de regeling vereiste aanpassing van de automatiseringssystemen van het UWV.

Na invoering van de WIEG krijgen partners de volgende verlofrechten in relatie tot de geboorte van het kind:
• calamiteitenverlof met loondoorbetaling op de dag(en) van de bevalling
• eenmaal de wekelijkse arbeidsduur geboorteverlof met loondoorbetaling, op te nemen binnen vier weken na de geboorte
• vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur aanvullend geboorteverlof met uitkering per week ter hoogte van 70 procent van het (maximum) dagloon, op te nemen binnen zes maanden na de geboorte
26 maal de wekelijkse arbeidsduur ouderschapsverlof tot de achtste verjaardag van het kind
• wettelijk is dit verlof onbetaald; het onvoorwaardelijk recht op drie dagen onbetaald ouderschapsverlof, op te nemen in de eerste vier weken na de thuiskomst van het kind, vervalt.

De week geboorteverlof met loondoorbetaling wordt geheel naar de wens van de werknemer vastgesteld. Afwijking bij cao is niet mogelijk. De vijf weken aanvullend geboorteverlof kan de werkgever, na overleg met de werknemer, wegens zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang anders inroosteren. Een werknemer kan pas gebruik maken van het recht op dit aanvullende geboorteverlof, als hij eerst het geboorteverlof van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met loondoorbetaling heeft opgemaakt.

De financiering van het (aanvullend) geboorteverlof vindt plaats via het huidige systeem met loondoorbetaling door de werkgever. Voor de eerste week geboorteverlof betaalt de werkgever het loon volledig door.

Met het oog op de positie van het midden- en kleinbedrijf geldt dat de financiering van de uitkering voor het aanvullende geboorteverlof plaatsvindt via de premies voor het Algemeen arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). De kosten worden dan door alle werkgevers gedeeld. Ook het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders wordt per 1 januari 2019 verlengd, van vier naar zes weken.

Standpunt AWVN
AWVN heeft eerder al aangegeven het eens te zijn met het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) van 16 februari. Hierin stelt de SER in de concretisering van het verlof in het regeerakkoord de richting te herkennen die de raad eerder heeft bepleit. Voor vaders houdt het gewijzigde verlof na de geboorte van het kind een verbetering in: het duurt langer en het is betaald. Tegelijkertijd constateert de SER dat de vormgeving van de verlofregeling nog niet optimaal en toekomstbestendig is. Een belangrijke doelstelling, het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, wordt hiermee niet gediend; moeders krijgen geen betere keuzemogelijkheden om werk en zorg te combineren.
De SER plaatst tevens kanttekeningen bij de versnippering van de verschillende verlofregelingen en de wijze van financiering. Door de stapeling van regelingen blijft het een lappendeken. Bovendien zijn de regelingen qua voorwaarden en financiering verschillend, wat het stelsel in de praktijk erg complex maakt. De voorgenomen wijze van financiering leidt tot een eenzijdige lastenverzwaring voor werkgevers en daarmee tot een afbreuk van draagvlak voor de beoogde regeling.