Home / Nieuws / Sociale-verzekeringsplicht zeevarenden: woonplaats bepaalt
vrijdag 10 mei 2019

Sociale-verzekeringsplicht zeevarenden: woonplaats bepaalt

In januari maakte AWVN melding van een uitspraak van de Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie over een nieuw standpunt ten aanzien van de sociale-verzekeringsplicht van zeevarenden. Het Hof van Justitie heeft inmiddels deze uitspraak bevestigd. Wat betekent dit voor werkgevers en werknemers?

Eerst nog even de feiten in deze zaak. Een werknemer met de Letse nationaliteit, woonachtig in Letland, was in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever. Werkzaamheden werden verricht aan boord van een zeeschip dat de vlag voerde van een niet-EU-lidstaat (een zogeheten derde land). De vraag was of de sociale-verzekeringswetgeving van de vestigingsplaats van de werkgever van toepassing was, de Nederlandse dus, dan wel de sociale-verzekeringswetgeving van de woonplaats van de werknemer – de Letse.
Tot het arrest ging Nederland ervan uit dat voor niet-EU-gevlagde schepen in de sociale-zekerheidsverordening geen aanwijsregels waren opgenomen. Op grond van arresten van het Hof van Justitie (zaak-Aldewereld en zaak-Kik) ging men er van uit dat de Nederlandse wetgeving diende te worden toegepast als de werkgever van een zeevarende in Nederland is gevestigd. Als er sprake was een Nederlandse werkgever, dan gold er verzekeringsplicht in Nederland.

Arrest Hof van Justitie
Het Hof van Justitie is in deze zaak van mening dat niet de wetgeving van het vestigingsland van de werkgever, maar de wetgeving van het woonland van de werknemer moet worden toegepast. Dat is gebaseerd op het feit dat de aanwijsregels in de sociale-zekerheidsverordening (de regels die bepalen welke wetgeving in een bepaalde situatie van toepassing is) altijd een toepasselijke wetgeving aanwijzen; het kan niet zo zijn dat geen enkele wetgeving van toepassing is. Aanwijzing van een toepasselijke wetgeving kan plaatsvinden op basis van het werken in een lidstaat, het werken aan boord van een EU-gevlagd schip, aan de hand van detacheringsbepalingen of werken in verschillende lidstaten, et cetera. Wanneer desalniettemin geen enkele aanwijsregel van toepassing is, dan voorziet de verordening in een restartikel, een ‘restaanwijsregel’, die bepaalt dat de sociale-verzekeringswetgeving van het woonland van de werknemer van toepassing is. En dat is hier aan de orde, aldus het Hof.

Gevolgen werkgever en werknemer
De gevolgen van dit arrest kunnen verstrekkend zijn. Tot dusverre waren de meeste zeevarenden in Nederland sociaal verzekerd. Door het arrest is dat afhankelijk geworden van de sociale-verzekeringswetgeving van het woonland. De vraag is of deze woonlanden voorzien in verzekering wanneer een werknemer aldaar woont, maar werkt aan boord van een niet-EU-gevlagd zeeschip. Wanneer sprake is van verzekeringsplicht, zal een Nederlandse werkgever in die landen sociale-verzekeringspremies moeten betalen. Het organiseren daarvan is veelal een bureaucratische aangelegenheid. Daarnaast is het de vraag of de sociale-verzekeringswetgeving, zo deze al van toepassing is, voorziet in een adequate dekking van risico’s. Ook spelen er premie-terugvorderingen.

Voor werknemers zijn er ook ingrijpende gevolgen. Op basis van het arrest kunnen ten onrechte ingehouden Nederlandse sociale-verzekeringspremies worden teruggevraagd. De vraag is of de werkgever dit gaat doen of dat de werknemer dit gaat doen middels een aanslag premieheffing voor de volksverzekeringen. Met hoeveel jaar terugwerkende kracht kan dit? En wat te denken van het terugvragen van de nominale premie voor de particuliere ziektekostenverzekering die alle zeevarenden betaald hebben doordat ze aanvankelijk in Nederland verzekerd waren? Ook dit zal de nodige verwikkelingen met zich meebrengen.

Vraag is ook wat de Nederlandse instanties gaan doen, zoals de Belastingdienst (voor de premieheffing sociale verzekeringen, volks- en werknemersverzekeringen), de Sociale Verzekeringsbank (verzekeringsplicht volksverzekeringen), het UWV(verzekeringsplicht werknemersverzekeringen) en het CAK (verzekeringsplicht Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg).