Home / Blogs en vlogs / arbeidsrecht / Werkgever mag winstdelingsregeling wijzigen
dinsdag 11 december 2018

Werkgever mag winstdelingsregeling wijzigen

Als een OR niet de wettelijk vereiste instemming geeft, kan de werkgever de kantonrechter vervangende toestemming vragen. Dat gebeurde in een recente zaak waarin de werkgever de winstdelingsregeling wilde wijzigen.

Op grond van artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) heeft een ondernemer voor een aantal in de wet omschreven besluiten instemming van de ondernemingsraad (OR) nodig. Vaststelling, wijziging of intrekking van een belonings- of een functiewaarderingssysteem kan alleen met instemming van de OR (tenzij een dergelijk systeem rechtstreeks uit de cao volgt). Onder een beloningssysteem valt niet de hoogte van de beloning. Het systeem waarmee de beloning wordt berekend, valt wel onder het instemmingsrecht.
Als een OR geen instemming geeft, kan de werkgever aan de kantonrechter vervangende toestemming vragen. De wet bepaalt dat de kantonrechter die slechts bij uitzondering geeft. In de zaak die ik vandaag bespreek, gaf de kantonrechter de werkgever toestemming de winstdelingsregeling te wijzigen.

In dit blog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen

Wat was het geval? Bij de werkgever was een winstdelingsregeling van kracht, met een vaste component van 3 procent en een variabel deel van maximaal 5 procent van het inkomen. Dit variabele deel was afhankelijk van het behaalde bedrijfsresultaat. De winstdelingsregeling bestond al ongeveer 30 jaar en gedurende deze periode, met uitzondering van 1989, werd steeds de variabele uitkering tot het maximum van 5 procent uitgekeerd.
In de afgelopen dertig jaar is de onderneming van eigenaresse veranderd, gegroeid van ongeveer 130 medewerkers in 1990 naar ongeveer 360 in 2018 en is de omzet van de Nederlandse organisatie ongeveer verviervoudigd. Deze wijzigingen waren voor de ondernemer aanleiding de winstdelingsregeling te willen wijzigen.
In de nieuwe regeling zou een vaste component van 3% en een resultaatsafhankelijke variabele component van maximaal 5% blijven. Daarbovenop een bonus van 2% voor het behalen van de persoonlijke doelstellingen. Voor het bepalen van het bedrijfsresultaat zou de Ebita-norm worden toegepast.

Op 26 april 2018 heeft de ondernemer de OR verzocht in te stemmen met het aanpassen van de winstdelingsregeling. De OR weigerde dat.
Volgens de OR werd de 5 procent winstdeling al 30 jaar of langer zonder meer uitgekeerd en was het daarmee een verworven recht. De OR was daarom van mening dat de winstdeling als een arbeidsvoorwaarde moest worden gezien.
Volgens de kantonrechter werd het 5 procent-gedeelte van de winstuitkering niet altijd automatisch en zonder enige vorm van toelichting uitgekeerd. Op momenten is wel degelijk een relatie gelegd tussen de winstuitkering en de resultaten van het voorafgaande jaar. Daaruit concludeert de kantonrechter dat met de medewerkers is gecommuniceerd dat deze 5 procent geen automatisme is. En als het dat inderdaad niet is, is het volgens de kantonrechter geen afdwingbare arbeidsvoorwaarde geworden. Dat er mogelijk niet ieder jaar opnieuw een relatie met de resultaten gelegd is, betekent nog niet dat het verband daarmee is komen te vervallen. Daarnaast wordt overwogen het bovendien een ongewenste situatie zou zijn als de werkgever zo nu en dan geen of een lagere winstdeling toe zou kennen – teneinde te voorkomen dat de regeling een afdwingbare arbeidsvoorwaarde wordt.
Een automatisme zou overigens ook inhouden dat de 5 procent wordt uitgekeerd als het slechter is gegaan en er dus eigenlijk geen recht op de volle uitkering zou bestaan. De OR heeft dit niet aangevoerd en dit blijkt ook nergens uit. Onweersproken is door de werkgever gesteld dat er alle jaren daadwerkelijk recht op de uitkering van de volle 5 procent bestond. Op grond van vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake van een arbeidsvoorwaarde is.

Voor de werkgever is de toepassing van de Ebita-norm een belangrijk onderdeel van het instemmingsverzoek en de voorgestelde verandering. De OR heeft de toepassing van de Ebita‑norm wel besproken, maar heeft deze niet als onaanvaardbaar afgewezen. Volgens de kantonrechter is er weinig verschil tussen de oude en de nieuwe regeling. Er kan worden vastgesteld dat er voor de OR geen redelijke grond is om niet met het voorstel in te stemmen, waarbij doorslaggevend is dat de 5 procent winstuitkering geen arbeidsvoorwaarde is en de toepassing van de Ebita-norm voor de OR niet tot onoverkomelijke bezwaren leidt. Vastgesteld wordt dat er voor de OR geen redelijke grond is om niet met het door de werkgever gedane voorstel in te stemmen. Het verzoek van de werkgever wordt toegewezen.

Interessant aan deze uitspraak is het oordeel dat de winstdelingsregeling voor wat betreft de 5% uitkering geen arbeidsvoorwaarde is. Volgens de kantonrechter kon de regeling niet als zodanig worden aangemerkt omdat duidelijk met de medewerkers was gecommuniceerd dat de hoogte van de uitkering afhankelijk was van het behaalde bedrijfsresultaat. Dat in de afgelopen jaren altijd een volledige uitkering van 5% had plaatsgevonden, deed daar volgens de kantonrechter niet aan af.