Home / Blogs en vlogs / arbeidsrecht / Werken over de grens II: het gewoonlijk werkland
donderdag 03 januari 2019

Werken over de grens II: het gewoonlijk werkland

Welk recht geldt bij grensoverschrijdend werken? Of: maken Hongaarse chauffeurs terecht aanspraak op Nederlandse arbeidsvoorwaarden? In deze blog wordt het belang van het vaststellen van het gewoonlijk werkland duidelijk.
Vorig jaar zomer schreef ik een blog over welk recht geldt bij grensoverschrijdend werken. Toen ging het over een Poolse werkneemster van de Ierse luchtvaartmaatschappij Ryanair. Ik sloot af door te stellen dat het in sectoren waar veel grensoverschrijdend werk plaatsvindt om die reden belangrijk is om aandacht te hebben voor het gewoonlijk werkland van de werknemer. Recent bleek eens te meer dat dit niet alleen in de luchtvaart, maar ook in de internationale transportsector geldt. Eind november 2018 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten van buitenlandse chauffeurs. In deze zaak staat de vraag centraal of Hongaarse werknemers terecht aanspraak maken op Nederlandse arbeidsvoorwaarden op grond van de Rome I-verordening.

De feiten
Het gaat hier om een zaak van tien Hongaarse chauffeurs tegen hun buitenlandse werkgever Silo-Tank Kft, een Hongaarse zusteronderneming van transportbedrijf Van den Bosch BV. Van den Bosch is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland (VGN). VGN heeft met vakbond FNV de cao Goederenvervoer afgesloten. Deze cao is niet algemeen verbindend verklaard. De Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden, zoals neergelegd in de cao Goederenvervoer, worden echter niet op de Hongaarse chauffeurs toegepast. De chauffeurs, gesteund door FNV, stappen naar de rechter en krijgen direct gelijk. Hierop besluit Van den Bosch in hoger beroep te gaan.

In dit blog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen

Op 2 mei 2017 oordeelt het Hof in Den Bosch dat Hongarije als gewoonlijk werkland van de chauffeurs moet worden aangemerkt, of in ieder geval het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee is verbonden. Het Hof baseert deze uitspraak op het feit dat (1) Silo-Tank een in Hongarije gevestigde transportonderneming is, (2) Silo-Tank niet enkel voor Van den Bosch vervoer verzorgt, (3) werknemers arbeidsovereenkomsten hebben gesloten met Silo-Tank, (4) werknemers Hongaren zijn, in Hongarije wonen en daar sociaal verzekerd en belastingplichtig zijn, (5) werknemers regelmatig na transporten terugkeren naar Hongarije en van daaruit weer te werk worden gesteld, (6) werknemers vanaf het moment van vertrek vanuit hun woonplaats in Hongarije naar de opstapplaats loon ontvangen, en (7) de door Silo-Tank in opdracht van Van den Bosch gereden internationale ritten voor slechts een zeer beperkt deel in Nederland zijn uitgevoerd.

Tegen dit oordeel stellen de Hongaarse werknemers cassatie in bij de Hoge Raad. Zij stellen zich daarbij (onder andere) op het standpunt dat het Hof de factoren voor de vaststelling van het gewoonlijk werkland en het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee verbonden is, niet of op een onjuiste wijze in zijn beoordeling heeft betrokken.

Internationale regels bij toepasselijk recht
Naast de afspraken in de arbeidsovereenkomst bestaat er een aparte Europese Verordening, Rome I, voor toepasselijk recht. Als uitgangspunt van Rome I geldt dat het recht van het gewoonlijke werkland op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land. In dat geval geldt het recht van dat andere land.

In de jurisprudentie (Koelzsch-arrest) is uitgemaakt dat onder gewoonlijk werkland moet worden verstaan het land waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult. Om vast te stellen in of vanuit welk land de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, dient de rechter met name te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden.  Verder moet de rechter nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.

Bij de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het gewoonlijke werkland, dient (volgens het Schlecker-arrest) de rechter rekening te houden met alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken, waarbij belangrijke betekenis toekomt aan de vraag in welk land de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt, en in welk land hij is aangesloten bij de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen. Ook dient de rechter rekening te houden met omstandigheden zoals de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden.

Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt uiteindelijk dat de klachten van de werknemers terecht zijn, omdat een aantal stellingen niet of onvoldoende is betrokken in de afweging die op grond van Rome I en de toepasselijke rechtspraak moet plaatsvinden. Zo zijn ten onrechte de omstandigheden niet betrokken dat het in Nederland gevestigde Van den Bosch loon aan werknemers betaalde, ziekmeldingen in Nederland plaatsvonden en in Nederland diploma’s werden behaald. Dat de werkzaamheden voornamelijk vanuit de Nederlandse standplaats van Van den Bosch, Erp, plaatsvonden en Van den Bosch mogelijk aansturing gaf, zijn bovendien juist aanknopingspunten voor Nederlands recht. Dat de werknemers in Hongarije sociaal verzekerd zijn en belasting betalen, laat onverlet dat het Hof de door werknemers aangevoerde omstandigheden had moeten betrekken.

Kort gezegd komt het erop neer dat het Hof bij haar beoordeling van het gewoonlijk werkland of het land waar de arbeidsovereenkomst het nauwst mee is verbonden, de daarbij behorende aanknopingspunten door elkaar heeft gebruikt. Het Hof had dus eerst moeten toetsen aan de aanknopingspunten van het gewoonlijk werkland en daarna – voor zover van toepassing – aan de aanknopingspunten van het nauwst verbonden land.

Aangezien de Hoge Raad in cassatie enkel heeft getoetst of de feitenrechter het recht juist heeft toegepast en de uitspraak deugdelijk heeft gemotiveerd, is de zaak terugverwezen naar een ander Hof (Arnhem-Leeuwarden) om de gewoonlijke arbeidsplaats nogmaals vast te stellen aan de hand van alle feiten/overwegingen.

Conclusie
Bovenstaande uitspraak maakt eens te meer duidelijk dat het bij grensoverschrijdend werken belangrijk is om aandacht te hebben voor het gewoonlijk werkland van de werknemer. De vaststelling daarvan kan ervoor zorgen dat er toch een ander wettelijk systeem van toepassing is. Anders dan FNV ons doet geloven, is dit nog geen overwinning voor de Hongaarse chauffeurs. Het Hof Arnhem-Leeuwarden zal immers opnieuw moeten motiveren of Nederlands of Hongaars recht van toepassing is.

Loopt u als werkgever veelvuldig tegen deze problematiek aan? Schrijf u dan in voor de workshopcyclus Internationale arbeidsmobiliteit. Deze cyclus, die op 7 februari weer van start gaat, bestaat uit vijf workshops, waaronder Internationaal arbeidsrecht en arbeidsvoorwaarden. U kunt zich hier inschrijven