Home / Blogs en vlogs / arbeidsrecht / Geen loondoorbetaling na terecht ontslag op staande voet
dinsdag 17 juli 2018

Geen loondoorbetaling na terecht ontslag op staande voet

Het was even schrikken voor werkgevers toen medio juni de conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) werd gepubliceerd: in voorkomende gevallen zijn werkgevers na een – terecht gegeven – ontslag op staande voet toch nog loon verschuldigd. De vraag was nu of de Hoge Raad mee zou gaan in de conclusie van de AG. Op 13 juli kwam de HR met het verlossende antwoord: nee!


Het gaat in deze zaak om een ontslag op staande voet wegens diefstal, dat in eerste instantie door de kantonrechter is vernietigd. Daardoor werd de arbeidsovereenkomst hersteld. De werkgever stelde tegen dit oordeel hoger beroep in, maar heeft de werknemer in afwachting daarvan niet meer tot zijn werkzaamheden toegelaten. In hoger beroep oordeelde het hof dat de vernietiging van het ontslag op staande voet door de kantonrechter onterecht was.
Vóór de Wwz kon het hof de beslissing van de kantonrechter waarin deze het ontslag op staande voet onterecht oordeelde, vernietigen. Daardoor werd dan de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot de datum van het ontslag op staande voet beëindigd, en was de werkgever over de tussenliggende periode geen loon verschuldigd.

In dit blog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen

Met de Wwz kan dit niet meer. Het hof moet zelf de arbeidsovereenkomst beëindigen, maar kan dit niet met terugwerkende kracht doen.
Het hof heeft in deze zaak de arbeidsovereenkomst alsnog beëindigd, en geoordeeld dat over de periode tot aan de beëindiging de werkgever geen loon verschuldigd was. Dit omdat het gegeven dat de werknemer na het ontslag op staande voet geen werkzaamheden meer heeft verricht, gelet op zijn handelswijze, voor zijn rekening diende te komen. Tegen dit laatste, de loondoorbetaling, stelde de werknemer cassatie bij de Hoge Raad in. Primair is zijn stelling dat het niet tot zijn werk toelaten van de werknemer nadat de kantonrechter het ontslag op staande voet heeft vernietigd, een oorzaak is die voor rekening van de werkgever behoort te komen als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW.

De conclusie van de AG
De uitspraak van de Hoge Raad wordt altijd voorafgegaan door een conclusie (advies) door een van de Advocaten-Generaal bij de Hoge Raad. De AG komt in haar conclusie tot het oordeel dat de systematiek van de Wwz op dit punt met zich meebrengt dat:
a. het hof in een dergelijk geval niet met terugwerkende kracht kan beëindigen (wat het hof ook niet had gedaan), waardoor de arbeidsovereenkomst doorloopt tot aan de beëindigingsdatum, en
b. dat de werknemer in beginsel recht heeft op loon tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst uiteindelijk is geëindigd. Dit omdat anders de vernietiging van het ontslag op staande voet door de kantonrechter in feite inhoudsloos zou zijn geworden. Wel kan de rechter de loonvordering matigen als volledige toewijzing tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, maar de lat hiervoor ligt hoog. Over de vraag of in een casus als deze loonmatiging is toegestaan, zijn de meningen verdeeld.

Al met al gaat het in deze zaak om bijna 20 maanden loon, waarvoor dus geen arbeid is verricht. Zou de HR de conclusie van de AG volgen, dan zou dat betekenen dat voortaan werkgevers na een terecht gegeven ontslag op staande voet soms nog jaren loon zouden moeten doorbetalen. Werkgeversorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN hadden al aangekondigd zich te zullen gaan inzetten voor reparatiewetgeving voor het geval de HR conform de conclusie van de Advocaat-Generaal zou beslissen. Dit nu is niet nodig, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2018.

De Hoge Raad
De Hoge Raad overweegt dat het moeilijk te rechtvaardigen is dat een werkgever van wie in hoogste instantie wordt vastgesteld dat hij een werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen, desondanks steeds verplicht zou zijn tot loonbetaling over de duur van een procedure in meerdere instanties. Dit alleen maar omdat de rechter in eerste aanleg – naar in hoger beroep is vastgesteld: ten onrechte – in zijn nadeel heeft beslist. In het omgekeerde geval, in hoger beroep wordt het ontslag op staande voet vernietigd, kan de arbeidsovereenkomst, en daarmee de loonbetaling, met terugwerkende kracht worden hersteld.
Volgens de HR blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wwz niet dat de wetgever e.e.a. onder ogen heeft gezien.
Het wettelijk stelsel brengt mee dat de arbeidsovereenkomst, en daarmee in beginsel ook de verplichting tot loonbetaling, doorloopt als de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt. Dit tot het hof de arbeidsovereenkomst beëindigt. De werkgever kan dan in hoger beroep de toepassing in te roepen van art. 7:627 BW (‘geen arbeid, geen loon’). Vervolgens is het aan de werknemer om te stellen dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid – ondanks het rechtsgeldig gebleken ontslag op staande voet – in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW. Het beroep van de werknemer dat het niet toelaten tot het werk altijd voor rekening van de werkgever dient te komen, wordt door de Hoge Raad verworpen.Als alternatieven geeft de Hoge Raad nog mee dat er in beginsel ook nog andere wegen voor de werkgever zijn om zich tegen de eis tot loonbetaling te weer te stellen: verzoek om matiging van de loonbetaling, en een beroep op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid.
Na herstel van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter na ontslag op staande voet kan de werknemer nog steeds loonbetaling vorderen. De Hoge Raad heeft met deze uitspraak de werkgever de nodige handvatten gegeven om zich daar tegen te verweren.

• Link naar conclusies AG
• Link naar oordeel Hoge Raad