Home / Blogs en vlogs / arbeidsrecht / Bedrijfseconomische omstandigheden, ziekte en hoger beroep
dinsdag 17 april 2018

Bedrijfseconomische omstandigheden, ziekte en hoger beroep

Recentelijk heeft de kantonrechter Roermond een uitspraak gedaan die recht ingaat tegen de uitspraak van het hof Den Bosch in een soortgelijke zaak van een klein jaar geleden. Het betreft in beide gevallen de situatie dat de werknemer ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV (nog) niet ziek is, maar ten tijde van het indienen van het hoger beroep bij de kantonrechter wèl. 

Sinds de invoering van de Wwz, bepaalt de aangevoerde ontslaggrond de te volgen ontslagroute. Betreft het bedrijfseconomische omstandigheden, dan gaat de ontslagroute via het UWV. Alle overige ontslaggronden (persoonlijke gronden) gaan via de kantonrechter.
Ook onder de Wwz geldt nog steeds het opzegverbod tijdens ziekte. Bij bedrijfseconomische omstandigheden heeft dit opzegverbod zelfs een absoluut karakter gekregen. Dit houdt in dat in het geval van een reorganisatie, geen afscheid meer kan worden genomen (ook niet via de kantonrechter) van een zieke werknemer. Dit betekent dat als u een ontslagvergunning bij het UWV zou aanvragen op grond van bedrijfseconomische redenen en de werknemer op dat moment ziek is, het UWV de ontslagaanvraag niet eens in behandeling neemt.
Echter: in de UWV-procedure is het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing als de ziekmelding is gedaan nadat de ontslagvergunning is aangevraagd. Als het UWV de ontslagaanvraag in behandeling neemt en vervolgens de gevraagde toestemming weigert, kunt u nog binnen twee maanden een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indienen bij de kantonrechter. In feite is dat het hoger beroep van het oordeel van het UWV. De twee maanden betreft een vervaltermijn. Dat betekent dat u, als u meent dat de toestemming door het UWV ten onrechte is geweigerd, snel dient te handelen.

In dit blog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen

Recentelijk heeft de kantonrechter Roermond een uitspraak gedaan die recht ingaat tegen de uitspraak van het hof Den Bosch in een soortgelijke zaak van een klein jaar geleden. Het betreft hier in beide gevallen de situatie dat de werknemer ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV (nog) niet ziek is, maar ten tijde van het indienen van het hoger beroep bij de kantonrechter wèl.
Sinds de invoering van de Wwz staat in het tweede lid van artikel 7:671 b BW dat de kantonrechter alleen kan ontbinden als er geen opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW geldt (waaronder het opzegverbod tijdens ziekte). De kantonrechter Roermond en het hof Den Bosch verschillen wezenlijk van mening over de vraag of de arbeidsovereenkomst in hoger beroep ontbonden kan worden, als de werknemer ten tijde van indienen van het ontbindingsverzoek ziek is maar ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV niet.

Geen herplaatsingskansen
In casus Den Bosch kreeg de werknemer begin 2016 het slechte nieuws dat de ernstige ziekte waarvan hij eerst leek te zijn genezen, zich weer had geopenbaard. Hoewel hij direct de volgende dag zijn werkgever daarvan op de hoogte had gesteld, is er in ieder geval pas sprake van een officiële ziekmelding op 31 maart 2016. Dit is ook de datum dat de bedrijfsarts de werknemer voor 50% arbeidsongeschikt beoordeelde.
Ondertussen had de werkgever op 25 maart 2016 een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen (werkvermindering). Bij beslissing van 23 mei 2016 weigerde het UWV toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het UWV oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk had gemaakt dat het vanwege bedrijfseconomische omstandigheden noodzakelijk is dat de arbeidsplaats van de werknemer structureel komt te vervallen. Werkgever ging vervolgens in beroep bij de kantonrechter. Nadat de kantonrechter de werkgever nog een bewijsopdracht had gegeven, oordeelde deze tenslotte op 7 december 2016 dat de werkgever erin was geslaagd aan te tonen dat er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden en dat er geen herplaatsingsmogelijkheden meer waren. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst vervolgens met ingang van 1 februari 2017 onder veroordeling van het betalen van de transitievergoeding.

Niet goed gedaan
Vervolgens ging de werknemer in hoger beroep bij het hof Den Bosch. De belangrijkste overweging van het hof is de beoordeling of er een opzegverbod wegens ziekte gold dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in de weg stond. Volgens het hof had de kantonrechter het niet goed gedaan. Het hof gaf aan dat op het moment dat het UWV het verzoek van de werkgever tot toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst weigerde, het opzegverbod zijn volle werking herkrijgt. Het hof erkent weliswaar dat door invoering van de Wwz deze volle werking is begrensd, maar het legt deze grens ergens anders dan de kantonrechter Roermond, zoals dadelijk zal blijken. Voor het hof ligt de grens bij het moment waarop de kantonrechter het verzoek tot ontbinding ontvangt. En niet het moment waarop het UWV het verzoek om een ontslagvergunning af te geven heeft ontvangen.

Dwarsbomen
De kantonrechter Roermond is deze laatste mening toegedaan, zo blijkt uit een recente uitspraak. En daar heeft de kantonrechter wat mij betreft een goede uitleg voor. Simpel gezegd zou een andere uitleg in de hand (kunnen) werken dat een werknemer door middel van een ziekmelding ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan dwarsbomen. Let wel, het gaat dan om een werknemer die ten tijde van het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV niet ziek is, maar zich vóór het instellen van het hoger beroep – en dus de ontbindingsaanvraag bij de kantonrechter – wél ziek meldt.
De kantonrechter Roermond stelt heel duidelijk in zijn uitspraak dat hij het hof Den Bosch niet volgt in zijn redenering, en dat is best bijzonder. Over het algemeen volgen kantonrechters uitspraken van hogere rechters. Maar zo niet deze kantonrechter. Hij geeft aan dat onder de huidige wetssystematiek (Wwz) het knelpunt dat met de Wet Flex en Zekerheid werd verholpen, opnieuw zijn intrede doet als moet aangenomen dat het opzegverbod nog steeds zijn volle werking krijgt op het moment dat de ontslagvergunning wordt geweigerd, zoals het hof Den Bosch overwoog. Het ontbindingsverzoek op de a-grond moet in de huidige systematiek worden beschouwd als een verlengstuk van de procedure bij het UWV, waarin de kantonrechter aan dezelfde criteria moet toetsen als het UWV, aldus de kantonrechter Roermond.
In dat kader overweegt de kantonrechter echter nog wel dat de werkgever in dit geval gewoon moet voldoen aan de op haar rustende stel- en substantiëringsplicht omdat de procedure bij de kantonrechter een zelfstandige procedure betreft en niet een appélprocedure met devolutieve werking waarin het verzoek beoordeeld moet worden op basis van hetgeen partijen daarover in de eerste aanleg hebben aangevoerd. Duidelijk is dat de werkgever naar het oordeel van de kantonrechter in deze procedure niet kan volstaan met verwijzing naar haar stellingen in de UWV-procedure.

Kunnen en willen
Het is duidelijk dat het laatste woord hierover nog niet is gezegd. Naar mijn bescheiden mening heeft het hof Den Bosch zich wellicht wat mee laten slepen door de feitelijke omstandigheden die wel heel droevig waren voor de werknemer. Het hof overweegt dat de werknemer helemaal geen misbruik heeft willen maken van zijn positie met zijn ziekmelding na de indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV.
Het gaat er echter niet om of de werknemer dit heeft gewild, maar wel of de werknemer dit zou kunnen.
Dat is de reden waarom de kantonrechter Roermond aangeeft dat het niet zo kan zijn dat het moment van beoordeling of er sprake is van het opzegverbod tijdens ziekte, ná het indienen van de ontslagaanvraag bij het UWV moet worden gelegd. Ik ben het daarmee eens en ben benieuwd of er na dit ene, spreekwoordelijke schaap nog meer volgen…