Ongewenste omgangsvormen op het werk

In dit weblog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over de meest actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen.

BLOG-2.pngVragen? Neem contact op met de AWVN-werkgeverslijn (070 850 86 05 of werkgeverslijn@awvn.nl). Zij kunnen u doorverbinden met de arbeidsrecht-specialisten binnen AWVN.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lodewijk Asscher, heeft aangekondigd bedrijven met een cultuur van pesten en andere ongewenste omgangsvormen een cursus op te leggen. Hij bekijkt momenteel of een proef hiermee juridisch en in de praktijk kan werken.
De reden: pesten of ander sociaal onwenselijk gedrag komt vaker voor dan gedacht. Volgens het ministerie heeft één op de 6 werknemers last van ongewenste omgangsvormen zoals pesten, discriminatie en (seksuele) intimidatie op het werk (zie ook nieuwsbericht op deze site). Bij ruim één op de 3 personen van deze groep werknemers leidt dit tot burn-outklachten. Volgens SZW zorgen spanningen op de werkvloer voor 7,5 miljoen extra verzuimdagen, goed voor veldt_120.png1,8 miljard euro aan loondoorbetaling tijdens ziekte. Geen enkele kwaal kost meer en toch wordt er op veel bedrijven niet over gepraat. De economische gevolgen zijn voor werkgevers daarom ook fors te noemen. 
Het Hof heeft onlangs een uitspraak gedaan in het kader van artikel 7:658 lid 1 BW genoemde (zorg-)verplichtingen van de werkgever ten opzichte van een bij hem in dienst zijnde werknemer. Het Hof baseert zich daarbij op een eerder gewezen arrest van de Hoge Raad. Volgens de HR vergt art. 7:658 BW een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.
Karin van der Veldt, juridisch adviseur AWVN, 29 september 2016

De feiten
In november 2002 is de heer A, (inmiddels: voormalig) werknemer van Hecs, mishandeld door de heer X , toentertijd een uitzendkracht van Hecs. Die mishandeling heeft A gemeld aan de directie van Hecs. Er is geen aangifte van gedaan bij de politie.
In de periode van april 2006 tot medio 2008 is appellant verschillende malen bedreigd door de heer Y , die daarbij aangaf op te treden namens een aantal voormalige uitzendkrachten bij Hecs (Y zelf was geen uitzendkracht of werknemer van Hecs). Deze bedreigingen zijn op enig moment bekend geworden bij de directie van Hecs. Ook hiervan is geen aangifte bij de politie gedaan.
A heeft zich op 5 september 2007 ziek gemeld, daarbij aangevend dat het werk voor Hecs ten koste van zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ging. Op 21 mei 2008 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld. Na deze laatste ziekmelding heeft A zijn werkzaamheden voor Hecs niet meer hervat.
Daarop heeft Hecs A kenbaar gemaakt te streven naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst op bedrijfseconomische gronden. In oktober 2009 had Hecs A (buiten diens medeweten) formeel hersteld gemeld voor zijn werkzaamheden.

De kantonrechter
Bij beschikking van 19 november 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 januari 2010 vanwege verstoorde verhoudingen. In de beschikking is onder meer overwogen: 'Die verstoring is veroorzaakt door gebeurtenissen op het werk, de mishandeling en de bedreiging, die in de risicosfeer van Hecs vallen en waarvan in ieder geval A geen verwijt kan worden gemaakt'.
Bij brief van 11 mei 2010 heeft A Hecs aansprakelijk gesteld, ex art. 7:658 BW, dan wel, subsidiair, ex art. 6:162 BW danwel art 7:611 BW, op de grond dat Hecs geen (adequate) maatregelen heeft ondernomen terzake voormelde mishandeling en bedreigingen.

De kantonrechter heeft op verzoek van appellant een voorlopig deskundigenbericht gelast met benoeming van W.H.J. Mutsaers, psychiater, tot deskundige. Deze heeft op 2 juli 2012 zijn rapport uitgebracht. Hierin staat onder meer: 'Onderzochte is een 42-jarige voormalig vestigingsmanager bij Hecs BV. Hij heeft bij de rechtbank om een voorlopig psychiatrisch-deskundigenbericht gevraagd. Hij meent dat er bij hem sprake is van een arbeidsgerelateerde psychiatrische aandoening, t.w. overspannenheid en een posttraumatische stressstoornis. Een en ander heeft te maken met het feit dat hij in zijn werk jarenlang onder grote psychische druk heeft gestaan, niet alleen omdat hij permanent voor het bedrijf beschikbaar moest zijn, maar ook omdat hij in 2002 in zijn werk slachtoffer is geweest van een gewelddadige overval en in de periode 2006-2008 langdurig is afgeperst. Om de hierdoor bij hem opgeroepen angst te bestrijden, is hij in toenemende mate alcohol gaan gebruiken c.q. misbruiken. Hij verwijt zijn werkgever dat deze in zijn zorgplicht ernstig tekort geschoten is, niet alleen omdat hij onvoldoende steun en medewerking van de directie kreeg bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar ook omdat de bedrijfsleiding niets heeft gedaan om onderzochte te beveiligen en te beschermen. Er zijn in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de gedachte, dat onderzochte eerder lijdende is geweest aan een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis.(…)'.

Het Hof
Wanneer, zoals hier, vaststaat dat een werknemer schade heeft geleden door het uitoefenen van zijn werkzaamheden, waaronder ook valt schade die het gevolg is van psychische klachten, kan de werkgever zich van aansprakelijkheid voor die schade alleen bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat hij zijn in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde (zorg)verplichtingen is nagekomen, dan wel dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer.

Bij het beantwoorden van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht de werkgever weliswaar niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.

Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist voorts dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (vgl. HR 5 december 2014, NJ 2015/182, ECLI:NL:HR:2014:3519).

Onderhavige geval
In het onderhavige geval bleef het uiteindelijk de vraag welke maatregelen de werkgever, gelet op de omstandigheden van het geval, had dienen te treffen. 

Hecs heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij niet op geweld bedacht hoefde te zijn. Het werken op een kantoor van een uitzendorganisatie brengt naar haar mening niet een specifiek risico daarop met zich. Volgens Hecs zou ze in een periode van dertig jaar ook slechts eenmaal zijn geconfronteerd met geweld, te weten het onderhavige geweld tegen A . Er bestond daarom ook geen aanleiding voor het opstellen van een risico-inventarisatie op dit punt. Hecs heeft er verder nog op gewezen dat juist de gemakkelijke toegankelijkheid een belangrijke eigenschap van een uitzendbureau is.

A daarentegen heeft in zijn toelichting op zijn grief aangevoerd dat bij Hecs wel regelmatig agressie en geweld voorkwam. Volgens hem was sprake van aan het werk inherente en structurele risico’s en had Hecs maatregelen daartegen kunnen nemen, zowel op preventief niveau als op instruerend en begeleidend niveau. Een risico-inventarisatie en -evaluatie zoals voorgeschreven in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet ontbrak echter, aldus A.

Het Hof is voorshands van oordeel dat als agressie en geweld vaker voorkwam bij Hecs, althans op haar vestiging in Groningen, dat en Hecs daarvan wist, althans behoorde te weten, Hecs redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op de mogelijkheid van geweld en dat het in het licht van de hiervoor weergegeven zorgverplichting dan op haar weg zou hebben gelegen om preventieve maatregelen hiertegen te treffen, althans (minimaal) te zorgen voor instructies en/of begeleiding gericht op het zoveel mogelijk voorkomen, althans beperken van (fysieke en/of psychische) schade door geweld.

Uiteindelijk heeft het Hof besloten dat het in die situatie ligt op de weg van A om tegenbewijs te leveren tegen de de door het Hof op voorshands als juist aangenomen stelling van Hecs dat zij niet bedacht hoefde te zijn op de mogelijkheid van geweld (op haar locatie in Groningen). Het Hof heeft aan A (tegen)bewijslevering aangeboden middels (in ieder geval) het horen van getuigen. Tot dat bewijs zal A derhalve worden toegelaten.

Conclusie
Op basis van het bovenstaande gegevens zou men kunnen concluderen dat (psychisch) geweld, (seksuele)intimidaties, pesten of anderszins ongewenst sociaal gedrag kan lijden tot grote schade. Zowel voor direct betrokken werknemers, in de zin van psychisch lijden en uitval; maar zeker ook voor werkgevers door (langdurig) ziekteverzuim. Of wanneer op basis van het bovenstaand juridisch kader de werkgever in de ogen van de rechter zijn zorgplicht niet voldoende is nagekomen een (fikse) schadeclaim. Dus ook hier geldt: voorkomen is beter dan genezen!