Wet DBA, vergeet niet het arbeidsrechtelijke kader!

In dit weblog informeren de advocaten en juristen van AWVN u geregeld over de meest actuele arbeidsrechtelijke ontwikkelingen.

 EsthervandenBerg.pngOp 1 mei 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) in werking getreden. Doel van de wet is om schijnconstructies tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers aan te pakken. Als gevolg van de Wet DBA is de VAR-verklaring komen te vervallen. De grote verandering is dat de opdrachtgever niet langer vooraf een vrijwaring kan verkrijgen ten aanzien van de betaling van belastingen en premies.

Esther van den Berg, AWVN-advocaten
22 juni, 2017



De invoering van de Wet DBA heeft voor onrust gezorgd in de markt. Als gevolg daarvan is op 1 juni 2017 besloten om de implementatietermijn te verlengen tot 1 juli 2018. Dit betekent dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot 1 juli 2018 geen boetes of naheffingen krijgen opgelegd door de Belastingdienst als achteraf geconstateerd wordt dat er sprake is van een dienstbetrekking. Dit geldt echter niet voor zogenoemde kwaadwillenden, laat staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes 1 juni 2017 aan de Tweede Kamer weten. Een opdrachtgever is alleen kwaadwillend indien de opdrachtgever opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan. Daarvan is sprake als er evident feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Sinds de invoering van de Wet DBA is de Belastingdienst nog maar enkele malen tot de conclusie gekomen dat een opdrachtgever kwaadwillend is. Het risico gedurende de implementatieperiode is dus fiscaal gezien beperkt.

Wat veel opdrachtgevers zich onvoldoende realiseren is dat naast een fiscaal aspect het zowel vóór als na de invoering van de Wet DBA belangrijk is om te allen tijde ook arbeidsrechtelijk te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie of een opdrachtsrelatie. Afgelopen twintig jaar is hier veelvuldig over geprocedeerd bij de civiele rechter. Helaas blijft dit in veel publicaties over de Wet DBA onderbelicht. Terwijl er regelmatig interessante uitspraken verschijnen op dit gebied.

De belangrijkste hoofdregel die uit deze jurisprudentie van de afgelopen 20 jaar is af te leiden, is dat of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst of als overeenkomst van opdracht moet worden gekwalificeerd, het van belang is wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond en hoe zij uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven.

Zaak Hof Amsterdam
Recentelijk behandelde het Hof Amsterdam een zaak die ging over de kwalificatie van een overeenkomst. In deze zaak ging het over het volgende.

De heer X heeft van 1 april 2013 tot 15 mei 2015 werkzaamheden verricht als bedrijfsleider van een door Plancius geëxploiteerd restaurant. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een arbeidsovereenkomst (standpunt van de heer X) of van een overeenkomst van opdracht (standpunt Plancius). De heer X is van mening dat de overeenkomst van opdracht op enig moment geruisloos is veranderd in een overeenkomst van arbeid.

In eerste aanleg is door de kantonrechter geoordeeld dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht. De overeenkomst van opdracht is dus niet geruisloos overgegaan in een arbeidsovereenkomst. De heer X heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.

Beoordeling Gerechtshof
Het hof stelt vast dat partijen bij aanvang van de samenwerking de bedoeling hebben gehad een overeenkomst van opdracht te sluiten. Die bedoeling blijkt onder andere uit het feit dat de heer X vanaf de aanvang van de overeenkomst zijn werkzaamheden per factuur vermeerderd met btw in rekening heeft gebracht. Gedurende de gerechtelijke procedure is niet gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat de aard van hun samenwerking zou wijzigen, laat staan dat zij daaraan uitvoering hebben gegeven gedurende de uitvoering van de overeenkomst. De overeenkomst van opdracht is daarom niet geruisloos veranderd in een arbeidsovereenkomst. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter.

Bij de beoordeling of een opdrachtovereenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd, dient zoals reeds eerder aangegeven, zowel naar de partijbedoeling als naar de feitelijke uitvoering te worden gekeken. Dit wordt opnieuw bevestigd door het Hof Amsterdam.

Al vele jaren ondersteunt AWVN-advocaten opdrachtgevers bij het opstellen van overeenkomsten van opdrachten. Hierbij worden opdrachtgevers uiteraard geadviseerd om per opdracht te beoordelen of bij het gaan van de overeenkomst maar ook gedurende de feitelijke uitvoering van de overeenkomst sprake is van een arbeidsrelatie of een opdrachtsrelatie. Deze beoordeling blijft ook na de invoering van de Wet DBA belangrijk.

De uitspraak