Wwz-blog: ontbinding via artikel 96

Eén zaak, twee vraagstukken, waarop de kantonrechter antwoord moet geven. De rechter lost het op met een fraaie formulering.

Ontbinding via art. 96 Rechtsvordering en te hoge vergoeding
Is het mogelijk om bij de afwikkeling van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst gebruik te maken van artikel 96 Rechtsvordering? En wat doet de kantonrechter met een door partijen overeengekomen vergoeding die de transitievergoeding overstijgt?

Beide partijen verzochten de kantonrechter op de voet van artikel 96 Rechtsvordering de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie (de zgn. g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW). De uitspraak leert dat de kantonrechter een geregelde zaak nog steeds snel kan afdoen: verzoek- en verweerschrift zijn ingediend op 6 augustus, partijen hadden aangegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling en de kantonrechter (Rotterdam) deed op 13 augustus uitspraak.

In de beschikking is opgenomen dat niet gebleken is dat partijen zich het recht op hoger beroep hebben voorbehouden als bedoeld in artikel 333, laatste volzin Rv. Dit is van belang, omdat in een ‘gewone’ pro-forma hoger beroep niet is uitgesloten. 
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. 

Nu partijen het er over eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van verzoekster niet kan worden verlangd de arbeidsverhouding voort te zetten en dat herplaatsing van verweerder in een andere passende functie niet tot de mogelijkheden behoort, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. Verweerder is arbeidsongeschikt, maar nu partijen het erover eens zijn dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekte vormt dit geen beletsel voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Partijen hadden ook een vergoeding afgesproken van € 125.000,- bruto. Wat doet de kantonrechter daarmee?

De kantonrechter overweegt dat in het kader van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst de wet de kantonrechter slechts de mogelijkheid biedt om twee soorten vergoedingen toe te kennen, te weten de transitievergoeding en/of de billijke vergoeding. Toekenning van een billijke vergoeding aan een werknemer is - behoudens enkele hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen - alleen mogelijk en bedoeld voor een geval waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Nu niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is, kan de kantonrechter de tussen partijen afgesproken vergoeding niet op die grond aan verweerder toekennen. 
Uit de stellingen van beide partijen blijkt dat genoemde vergoeding van € 125.000,- bruto de transitievergoeding te boven gaat, terwijl bovendien geldt dat de tussen partijen afgesproken vergoeding hoger is dan het in artikel 7:673 lid 2 BW genoemde bedrag van € 75.000,- bruto, zodat ook het bepaalde in genoemd artikel geen grondslag biedt voor toekenning van de door partijen afgesproken vergoeding.

Voor afwijzing van de vergoeding bestaat naar het oordeel van de kantonrechter echter ook geen grond, nu uit de stellingen van partijen blijkt dat zij daarover overeenstemming hebben bereikt. 
De kantonrechter neemt vervolgens in zijn beslissing op dat hij ‘verstaat dat verzoekster aan verweerder een vergoeding betaalt van € 125.000 bruto, in welk bedrag de aanspraken van verweerder op de transitievergoeding begrepen zijn’. 
De kantonrechter is dus van mening dat ook in een art. 96 Rv procedure voor de toekenning van een hogere vergoeding dan de transitievergoeding slechts ruimte is bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hij lost het echter creatief op met bovengenoemde formulering.

Marco Veenstra
Weblog van 25 augustus
Link naar uitspraak