Wwz-blog: kantonrechters oordelen verschillend

Is een voorwaardelijk ontbindingsverzoek mogelijk na een ontslag op staande voet? En geldt hierbij het oude of nieuwe recht als dit vóór 1 juli 2015 is gegeven?

In dit weblog worden twee Wwz-uitspraken behandeld. In de uitspraak van de kantonrechter Alkmaar komt aan de orde of bij ontbinding wegens verwijtbaar handelen de transitievergoeding verschuldigd is. Daarnaast of een voorwaardelijk ontbindingsverzoek (na ontslag op staande voet) onder het nieuwe recht nog mogelijk is, en of dit verzoek onder het oude of het nieuwe recht moet worden beoordeeld als het ontslag op staande voet vóór 1 juli 2015 is gegeven. De kantonrechter oordeelde op 30 juli, evenals de kantonrechter te Apeldoorn op 16 juli, dat dan het nieuwe recht van toepassing is. Hun Amsterdamse collega dacht daar op 18 augustus heel anders over.

 

Kantonrechter Alkmaar, 30 juli 2015
In deze zaak had de werkgever, een logistiek bedrijf, de werknemer op 8 juni 2015 op staande voet ontslagen omdat hij in strijd met het relatie- en concurrentiebeding uit de toepasselijke cao een concurrerende onderneming heeft opgericht. De werkgever verzoekt op 9 juli 2015 voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW jo. artikel 7:669 lid 3 onderdeel e (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) en g (verstoorde arbeidsverhouding) BW, zonder toekenning van enige vergoeding aan werknemer. Moet het ontbindingsverzoek nu onder het oude recht of onder het nieuwe recht worden beoordeeld?

Naar het oordeel van de kantonrechter kan een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure niet worden aangemerkt als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, omdat de ontbindingsprocedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden, zoals in deze zaak aan de orde is. Daaraan doet niet af dat aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan het ontslag op staande voet, omdat een ontbindingsprocedure een ander beoordelingskader heeft dan gedingen in het kader van een ontslag op staande voet. Dit brengt mee dat het ontbindingsverzoek moet worden beoordeeld op basis van het per 1 juli 2015 geldende recht.

In het kader van het inmiddels vervallen artikel 7:685 van het BW is aanvaard dat een werkgever, nadat een werknemer de nietigheid van een ontslag op staande voet heeft ingeroepen, een gerechtvaardigd belang kan hebben bij voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door dat ontslag. De kantonrechter ziet geen reden om voor een ontbinding met toepassing van artikel 7:671b lid 1 BW tot een ander oordeel te komen. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door werkgever naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, van het BW. Het oprichten van een met de eigen werkgever concurrerende vennootschap verhoudt zich niet met goed werknemerschap. Een goed werknemer zal een dergelijke handeling in ieder geval niet zonder toestemming van zijn werkgever verrichten. Het handelen van de werknemer is bovendien in strijd met artikel 7.6.a. van de CAO. Het handelen van werknemer is dermate verwijtbaar dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter ontbindt dan ook de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de geldende opzegtermijn.

Is de werkgever nu een transitie- of andere vergoeding verschuldigd? De kantonrechter had eerder die dag in een kort gedingprocedure geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Vervolgens oordeelt hij dat hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, bij gebreke aan een dringende reden en de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden niet valt in te zien dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Dat betekent dat de werkgever de transitievergoeding is verschuldigd.

Uit de uitspraak blijkt dus dat een ontbinding wegens verwijtbaar handelen van de werknemer niet voldoende is om betaling van de transitievergoeding te ontlopen. Daarvoor moet sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen.
Link naar uitspraak Kantonrechter Alkmaar, 30 juli
Link naar uitspraak Kantonrechter Apeldoorn, 16 juli

 

Kantonrechter Amsterdam, 18 augustus 2015
Hier ging het om een zwangere werkneemster die zich ziek had gemeld. Werkgever schakelt niet de Arbodienst in, maar ontbiedt werkneemster op kantoor. Werkneemster verschijnt niet op het door werkgever aangegeven tijdstip en wordt vervolgens wegens werkweigering en het niet opvolgen van een redelijke instructie van de werkgever voor een gesprek, op 2 juni 2015 op staande voet ontslagen. Werkgever verzoekt op 16 juli 2015 ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair vanwege een dringende reden.

Voordat hij aan de inhoudelijke behandeling dient de kantonrechter te beoordelen of de WWZ of de voor 1 juli 2015 geldende wettelijke regeling van toepassing is. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende:
Artikel XXII lid 1 onder b. van het Overgangsrecht bepaalt ten aanzien van de voor
1 juli 2015 geldende wettelijke regeling dat deze van toepassing blijft:
op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor (1 juli 2015) en op de gedingen die daarop betrekking hebben.

De vraag die voorligt is dan ook of onderhavig ontbindingsverzoek en/of het eveneens aanhangige kort geding gedingen zijn die betrekking hebben op het ontslag op staande voet van 2 juni 2015. Naar het oordeel van de kantonrechter dient die vraag voor beide procedures bevestigend beantwoord te worden. De vordering in kort geding is rechtstreeks afhankelijk van het voorlopig oordeel over de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het ontbindingsverzoek is ingediend op basis van – grotendeels – hetzelfde feitencomplex als hetgeen aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd en is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig mocht blijken. Beide procedures hebben aldus betrekking op het ontslag op staande voet. “Betrekking hebben op” betekent volgens het Van Dale groot woordenboek hedendaags Nederlands “gaan over, er verband mee houden”, hetgeen ook een ruim bereik impliceert. Voor een meer beperkte interpretatie ziet de kantonrechter geen aanleiding, al was het maar omdat daarmee het risico ontstaat dat op verschillende procedures die voortvloeien uit hetzelfde ontslag, verschillende regels van toepassing zijn. Dat is nu juist wat overgangsrecht beoogt te voorkomen.

Verder is deze uitspraak niet zo verrassend. Nu duidelijk was dat werkneemster ziek was dit een geldige reden om niet op het werk te verschijnen zolang de ziekte voortduurde, zodat dit geen grondslag kon vormen voor het gegeven ontslag. Ook de instructie van werkgever om op het werk dan wel op een gesprek te verschijnen kon gelet op de ziekte niet als redelijk worden beschouwd.
In het door werkneemster aanhangig gemaakte kort geding was de kantonrechter van oordeel dat een grond voor ontslag op staande voet onvoldoende aannemelijk is geworden, en de door werkgever gevraagde ontbinding werd geweigerd.
Link naar Kantonrechter Amsterdam, 18 augustus 

Wie heeft het bij het rechte eind?
Rest de vraag welke kantonrechter het met betrekking tot het al dan niet van toepassing zijn van het overgangsrecht bij het rechte eind heeft. Ik vind de overweging van zowel de Apeldoornse als de Alkmaarse kantonrechter dat een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure niet kan worden aangemerkt als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, omdat de ontbindingsprocedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden niet overtuigend. Zonder het ontslag op staande voet was er geen sprake geweest van de voorwaardelijke ontbindingsprocedure. De overwegingen van de kantonrechter te Amsterdam overtuigen mij meer. Overigens dacht de kantonrechter te Den Haag, in een nog niet gepubliceerde uitspraak van 27 augustus 2015, er precies zo over als zijn collega’s in Apeldoorn en Alkmaar. Het staat dus op dit moment, 31 augustus 2015, 3–1 voor de kantonrechters die vinden dat het overgangsrecht in dit soort procedures niet van toepassing is.

Marco Veenstra
31 augustus 2015