Prinsjesdag 2016: pensioenstelsel

De miljoenennota biedt vrijwel geen inhoudelijks nieuws over ‘2e pijler pensioen’, alleen een samenvatting van reeds eerder aangekondigde beleidsvoornemens. Wel twee fiscale versoepelingen voor arbeidspensioenen.

In het kort: Nederland kent een degelijk stelsel van oudedagsvoorzieningen met relatief hoge uitkeringen. Door de financiële crisis, de lage rente en de gestegen levensverwachting is de financiële positie van de Nederlandse pensioenfondsen echter onder druk komen te staan. Risico’s opvangen via een verhoging van de premie werkt niet meer. Werkgevers zijn niet in staat de risico’s te dragen van oplopende pensioenlasten. Ook stellen demografische, economische, arbeidsmarkt-gerelateerde en sociaal-culturele ontwikkelingen nieuwe eisen aan het huidige aanvullende pensioenstelsel. Het kabinet heeft een aantal stappen gezet om het pensioenstelsel te versterken: het nieuwe Financiële Toetsingskader, de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, aanpassing van het fiscale kader voor aanvullende pensioenopbouw en versneld verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit is benoemd als ‘noodzakelijk onderhoud aan het bestaande stelsel’. Ook is zeer onlangs de wetgeving voor zogenoemde premieregelingen verbeterd, en is de medezeggenschap voor ondernemingsraden bij de arbeidsvoorwaarde pensioen verstevigd.

Voor een toekomstbestendig pensioenstelsel is echter meer nodig. Er is behoefte aan meer duidelijkheid over verwachtingen en risico’s. Daarnaast moet het pensioenstelsel beter aansluiten bij de wensen van de moderne samenleving en de dynamischere arbeidsmarkt. Hiervoor is een grotere verandering van het pensioenstelsel noodzakelijk. Het kabinet heeft hiertoe afgelopen juli richtinggevende hoofdlijnen voor een toekomstbestendig pensioenstelsel gepresenteerd. De bevindingen van de breed gevoerde ‘Nationale Pensioendialoog’ (2015 en 2016) zijn hierbij een belangrijk uitgangspunt geweest. Ook de Sociaal-Economische Raad (SER) heeft medio 2016 een waardevol rapport over de toekomst van het pensioenstelsel uitgebracht. De hoofdlijnen waar het kabinet op inzet, zijn dat mensen een beter zicht moeten krijgen op hun persoonlijke pensioenopbouw. Ook is er een groeiende behoefte aan meer persoonsgebonden rechten en is het belangrijk dat álle werkenden een toereikend pensioen kunnen opbouwen, dus ook zzp’ers. Verder heeft het kabinet de ambitie om de zogenoemde doorsneesystematiek af te schaffen. Verder meent het kabinet dat een nieuwe pensioenovereenkomst wenselijk is. Deze nieuwe vorm moet de sterke elementen van bestaande overeenkomstenvormen (uitkeringsovereenkomsten tegenover premieovereenkomsten) combineren. Tot slot gaat het kabinet de komende tijd verder verkennen welke mogelijkheden kunnen worden ingevoerd voor meer maatwerk en keuzevrijheid op het gebied van beleggingsbeleid, de hoogte van de inleg en de vorm van de uitkering, inclusief een gedeeltelijke afkoop op pensioeningangsdatum.

Voor het komende jaar was al meer concreet aangekondigd dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgeleenheid gaat onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de hersteltermijnen in het Financiële Toetsingskader te verruimen. Ook was al bekend het voornemen nog in deze kabinetsperiode een wettelijke verplichting van waardeoverdracht van kleine pensioenen te behandelen die in de plaats treedt van het huidige recht van afkoop om zodoende de pensioenvoorziening van vooral werknemers met meerdere kortlopende dienstverbanden te beschermen.

Nieuw is de aankondiging van twee fiscale wijzigingen. De 100%-toets (het ouderdomspensioen inclusief AOW mag niet meer bedragen dan 100% van het  laatstverdiende loon) verdwijnt. Handhaving van deze norm is door de jaren heen zeer complex geworden, terwijl overschrijding van de 100%-grens bijna niet meer voorkomt. De tweede wijziging is het afschaffen van het doorwerkvereiste indien de ingangsdatum van pensioen wordt uitgesteld, waardoor het wordt mogelijk gemaakt voor een individuele werknemer de pensioeningangsdatum en de AOW-datum te harmoniseren. Het doorwerkvereiste wordt geheel afgeschaft, dat wil zeggen zowel voor als na de AOW-datum.
 
AWVN vindt de aangekondigde concrete maatregelen voor het komende jaar een goede zaak. 
AWVN vindt de al eerder aangekondigde voornemens voor de lange termijn, en de aanleiding daartoe, herkenbaar. Er is voor ‘het nieuwe stelsel’ al veel goed werk verricht door de overheid, en door werkgevers- en werknemersorganisaties en pensioenuitvoeringsorganisaties, met het inventariseren van wensen, knelpunten en oplossingsrichtingen. De keuzes voor enkele oplossingsrichtingen, en het niet verder uitwerken van andere, worden niet alle op gelijke wijze gewaardeerd door AWVN. De gekozen oplossingsrichtingen zijn ook nog te weinig concreet om een definitief oordeel te kunnen geven. De verdere invulling en vormgeving zijn ook bepalend voor de haalbaarheid. Meer ruimte voor premieovereenkomsten, meer keuzeruimte voor werkgevers en werknemers bij de invulling van de pensioenovereenkomst zijn belangrijk. Behoud van waardevolle elementen in het huidige stelsel (zeg collectiviteit en risicosolidariteit, en betrekkelijke duidelijkheid) is daarbij eveneens belangrijk. Bij alle voornemens is het ook de vraag of die in hun onderlinge samenhang niet te complex zijn om tegelijkertijd te realiseren.
Tot slot is AWVN zich ervan bewust dat er onder haar leden, en ook bij werknemersorganisaties en door politieke partijen, (zeer) verschillend wordt gedacht over de noodzaak tot wijzigen van het stelsel, en over de te kiezen richting. En wellicht is er niet echt sprake van een tegenstelling. Er zou meer aandacht moeten zijn voor de vraag voor welke sectoren en welke inkomensniveaus de hoofdlijn van het huidige stelsel meer geschikt is, en voor welke groepen juist nieuwe vormen en keuzevrijheid meer gewenst zijn.
 
Henri Lepoutre