Prinsjesdag 2016: fiscaal

AWVN begrijpt dat in deze 'verkiezingsbegroting' alle doelgroepen een koopkrachtverbetering in het vooruitzicht wordt gesteld, maar zet vraagtekens bij de extra uitbouw van het stelsel van toeslagen.

Naast het Belastingplan 2017 bestaat het pakket uit de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2017, Fiscale vereenvoudigingswet 2017, Uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, Fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing, en tot slot een tijdelijk verlaagd tarief voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting. De diverse wetsvoorstellen tezamen bevatten een keur aan maatregelen, waaronder het afschaffen van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting per 2018.

Hieronder zullen wij de belangrijkste voorgestelde maatregelen opnemen die zien op de relatie tussen werkgever en werknemer.

Loonbelasting en premies
Uit het aangekondigde koopkrachtbeleid blijkt dat het kabinet heeft ingezet op een beleid waarin nagenoeg alle doelgroepen hun koopkracht verbeterd zien. De aanpassingen van de tarieven in de sfeer van de loonheffingen voor werkenden hebben het karakter van reparatiemaatregelen.
Zo wordt in het aanvullende pakket de geplande verlaging van de algemene heffingskorting teruggedraaid. Ook de uit eerdere wetgeving voortvloeiende verhoging van de maximale arbeidskorting en de verlenging van de derde schijf in de loonheffing wordt beperkt. Deze maatregelen in combinatie met een verhoging van het loonheffingstarief in de tweede en derde schijf met 0,4% zorgen voor beperkte herverdelingseffecten. Een groot deel van het geld dat wordt besteed aan bedienen van de verschillende doelgroepen, vindt plaats in de sfeer van de toeslagen. Zo wordt de huur- en zorgtoeslag in 2017 extra verhoogd (samen goed voor 1 miljard euro op jaarbasis) en op grond van eerdere wetgeving gaat ook de kinderopvangtoeslag in 2017 omhoog (200 miljoen). Daarnaast komt er een extra verhoging van het kindgebonden budget (100 miljoen).

In het belastingplan 2017 zijn de aanpassingen van de belastingschijven en de heffingskortingen terug te vinden. Wat dit op de loonstrook voor de werknemer gaat betekenen, is afhankelijk van de hoogte van het fiscale loon en is een optelsom van verbeteringen en verslechteringen. Duidelijk is wel dat de werkenden met een loon tussen de €22.000 en € 66.000 het meest worden geraakt door de verhoging van het tarief in de eerste en tweede schijf met 0,4%, zodat voor deze middeninkomens zelfs sprake is van een bescheiden belastingverhoging in de loonsfeer.

 Naamloos.png

 Heffingskortingen3.png

Uit de vergelijking van de loonheffingstarieven 2017 versus 2016 blijkt dat de verlenging van de derde belastingschijf en de extra verhoging van de maximale heffingskortingen gunstig uitwerken voor het netto loon. Daar staat tegenover dat het percentuele tarief in de tweede en derde schijf met 0,4% wordt verhoogd, wat niet gunstig uitwerkt voor de koopkracht.

Verwacht wordt dat de gemiddelde AOF-basispremie en de AFW-premie voor werkgevers licht stijgen. Daar staat tegenover dat de inkomensafhankelijke ZVW-premie en de gemiddelde WHK- en wachtgeldpremie iets dalen. Per saldo blijven de gemiddelde lasten voor werkgevers grotendeels gelijk. Per werkgever of per sector kunnen uiteraard wel verschillen optreden.

Commissarissen en bestuurders onder de DBA
Loonbelasting – de commissaris en bestuurder als werknemer
OP 1 mei is de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) in werking getreden en is de Verklaring Arbeidsrelaties (VAR) afgeschaft. Onderdeel van de wet was dat de fictieve dienstbetrekking van de commissaris in de Wet op de loonbelasting werd afgeschaft. Vooruitlopend op dit wetsvoorstel was in een besluit van de staatssecretaris van Financiën al voorzien in de mogelijkheid voor de commissaris om zijn arbeidsverhouding niet aan te merken als een dienstbetrekking tot 1 januari aanstaande.
Om te voorkomen dat buitenlandse commissarissen het voordeel van de 30% regeling zouden moeten missen, kunnen buitenlandse commissarissen van in Nederland gevestigde vennootschappen vanaf 1 januari 2017 gebruik kunnen maken van de “opting in”-regeling, waardoor de arbeidsverhouding als een dienstbetrekking wordt gezien. In dat geval moet de inhoudingsplichtige loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet afdragen. De (buitenlandse) bestuurder van een Nederlandse vennootschap is in principe in dienstbetrekking werkzaam, dus die arbeidsverhouding is een dienstverband.
Inkomstenbelasting - de commissaris en bestuurder als ondernemer of als resultaatsgenieter
Om een heffingslek te voorkomen is voorgesteld om in de inkomstenbelasting ten aanzien van de buitenlandse commissaris of bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap die (i) winst uit onderneming of (ii) een resultaat uit overige werkzaamheden geniet, deze wordt geacht te realiseren met een in Nederland gelegen vaste inrichting, respectievelijk wordt geacht de werkzaamheden in Nederland te hebben verricht. In het geval een belastingverdrag het heffingsrecht over deze inkomsten aan Nederland toewijst, zal Nederland ook de heffing kunnen effectueren. In de meeste belastingverdragen is opgenomen dat het heffingsrecht over de beloning van een commissaris of een bestuurder van een vennootschap is toegewezen aan het land van vestiging van de vennootschap.

Verlegging van de inhoudingsplicht binnen concernverband
Op het moment dat een buitenlands concernonderdeel een werknemer naar Nederland detacheert om te werken bij het Nederlandse concernonderdeel, dan moet formeel het buitenlandse concernonderdeel een loonadministratie starten in Nederland. De wet voorziet nu al in een mogelijkheid om de inhoudingspicht te verleggen naar het Nederlands concernonderdeel. Het bereik is echter beperkt door de voorwaarde dat een buitenlands concernonderdeel bemiddelt bij de tewerkstelling van een werknemer in Nederland. Voorgesteld wordt nu om de laatste voorwaarde te laten vervallen, waardoor het Nederlandse concernonderdeel de werknemer van elk buitenlands concernonderdeel waarvoor in Nederland een inhoudingsplicht bestaat, kan opnemen in de bestaande salarisadministratie.

Om de inhoudingsplicht te verleggen van het buitenlands- naar het Nederlands concernonderdeel is een gezamenlijk verzoek aan de belastingdienst nodig.

Afschaffing jaarloonuitvraag
De jaarloonuitvraag is in 2006 ingevoerd vanwege problemen met de gegevensaanlevering uit de polisadministratie voor de belasting- en premieheffing en de toeslagen. Via de jaarloonuitvraag kan de belastingdienst bij ontbrekende of onjuiste aangiftegegevens na afloop van het kalenderjaar bij de werkgever de jaarloongegevens van zijn werknemers opvragen. Inmiddels zijn veel verveteringen doorgevoerd in de loonaangifteketen, waardoor de mogelijkheid het jaarloon uit te vragen geen toegevoegde waarde meer heeft. Daarom is voorgesteld de mogelijkheid het jaarloon uit te vragen af te schaffen.

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
De wetsvoorstellen bevatten een aantal maatregelen op het vlak van de afdrachtverminderingen, die vooral technisch van aard zijn.

Loonbegrip
Met de voorgestelde wijzigingen vindt in de eerste plaats codificatie plaats van het in de praktijk gehanteerde loonbegrip van de WVA. Met deze wijzigingen wordt wettelijk vastgelegd dat eindheffingsloon is uitgesloten van het loonbegrip dat in het kader van de S&O-afdrachtvermindering wordt gehanteerd voor de berekening van het gemiddelde uurloon.

Boete bij overtreding mededelingsplicht
De ontvanger van de zogenaamde 'S&O-verklaring' (Speur- en ontwikkelingswerk) heeft een mededelingsplicht over het kalenderjaar voor het aantal bestede S&O-uren en gerealiseerde kosten en uitgaven per S&O-verklaring. Indien deze mededelingsplicht niet wordt nageleefd, wordt er een boete opgelegd. De boete bedraagt maximaal € 2.500. Verder vindt er een wijziging plaats bij het systeem van het opleggen van de boete.

Gebruikelijk loonregeling dga innovatieve start-ups
Het belastbaar loon van directeur-grootaandeelhouders van innovatieve start-ups wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon. Dit geldt voor dga's van bedrijven die speur- en ontwikkelingswerk verrichten en voor de toepassing van de S&O-afdrachtvermindering als starter worden aangemerkt. Deze regeling geldt in principe tot 1 januari 2022.

Lage Inkomensvoordeel (LIV)
Onderdeel van het belastingplan 2016 (Wet Tegemoetkoming Loondomein) was de inwerkingtreding per 1 januari 2017 van het zogenaamde 'Lage Inkomensvoordeel'.

Het lage inkomensvoordeel wordt betaald aan de werkgever en is bedoeld om de arbeidsparticipatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt te stimuleren door werknemers met een laag loon in dienst te nemen en te houden. Het maximale voordeel bedraagt € 2.000 voor werknemers met een loon tussen 100% en 110% van het wettelijk minimumloon. Voor werknemers met een loon tussen 110% en 120% van het wettelijk minimumloon bedraagt het maximale voordeel € 1.000. Voorwaarde is wel dat de werknemer tenminste 1.248 uur heeft gewerkt bij dezelfde werkgever in het kalenderjaar. Voor parttime medewerkers geldt dat het voordeel naar rato van de gewerkte uren wordt betaald. Het recht op de LIV stopt als de medewerker de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Per 1 januari 2018 worden de premiekortingen vervangen door de zogenaamde 'loonkostenvoordelen' (LKV).

AWVN vindt...
AWVN begrijpt dat in deze 'verkiezingsbegroting' alle doelgroepen een koopkrachtverbetering in het vooruitzicht wordt gesteld, maar zet vraagtekens bij de extra uitbouw van het stelsel van toeslagen. In plaats van 10 miljard euro wordt voortaan 12 miljard euro per jaar aan huur-, zorg- en kinderopvangtoeslagen uitgekeerd.

Bij de maatregelen in de loonsfeer lijkt het of de regering spijt heeft van haar eerdere besluitvorming. De maatregelen in de sfeer van de loonheffingen zijn niet meer dan een (beperkte) herverdeling, waarbij de lagere inkomens extra worden ontzien.
De LIV is een goede maatregel, maar teleurstellend is dat de regering de verbetering van de financiële positie niet heeft aangegrepen om de wig (het verschil in loonkosten en het netto loon) voor alle werknemers te verlagen en niet alleen voor specifieke groepen. Als de bevordering van de werkgelegenheid serieus wordt genomen, zou dat toch een speerpunt van het beleid moeten zijn.

Jan de Graaf en Armand Lahaije